Psalmen 56:5

Statenvertaling (States Bible)

In God zal ik Zijn woord prijzen; ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zoude mij vlees doen?

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • 2 Petr 3:16 : 16 Gelijk ook in alle zendbrieven, daarin van deze dingen sprekende; in welke sommige dingen zwaar zijn om te verstaan, die de ongeleerde en onvaste mensen verdraaien, gelijk ook de andere Schriften, tot hun eigen verderf.
  • 1 Sam 18:17 : 17 Derhalve zeide Saul tot David: Zie, mijn grootste dochter Merab zal ik u tot een vrouw geven; alleenlijk, wees mij een dapper zoon, en voer den krijg des HEEREN. Want Saul zeide: Dat mijn hand niet tegen hem zij, maar dat de hand der Filistijnen tegen hem zij.
  • 1 Sam 18:21 : 21 En Saul zeide: Ik zal haar hem geven, dat zij hem tot een valstrik zij, en dat de hand der Filistijnen tegen hem zij. Daarom zeide Saul tot David: Met de andere zult gij heden mijn schoonzoon worden.
  • 1 Sam 18:29 : 29 Toen vreesde zich Saul nog meer voor David; en Saul was David een vijand al zijn dagen.
  • 1 Sam 20:7 : 7 Indien hij aldus zegt: Het is goed, zo heeft uw knecht vrede; maar indien hij gans ontstoken is, zo weet, dat het kwaad bij hem ten volle besloten is.
  • 1 Sam 20:33 : 33 Toen schoot Saul de spies op hem, om hem te slaan. Alzo merkte Jonathan, dat dit ten volle bij zijn vader besloten was, David te doden.
  • Ps 41:7 : 7 En zo iemand van hen komt, om mij te zien, hij spreekt valsheid; zijn hart vergadert zich onrecht; gaat hij uit naar buiten, hij spreekt er van.
  • Jes 29:20-21 : 20 Wanneer de tiran een einde zal hebben, en dat het met den bespotter uit zal zijn, en dat allen, die tot ongerechtigheid waken, uitgeroeid zullen zijn; 21 Die een mens schuldig maken om een woord, en leggen dien strikken, die hen bestraft in de poort; en die den rechtvaardige verdrijven in het woeste.
  • Jer 18:18 : 18 Toen zeiden zij: Komt aan, laat ons gedachten tegen Jeremia denken; want de wet zal niet vergaan van den priester, noch de raad van den wijze, noch het woord van den profeet; komt aan, en laat ons hem slaan met de tong, en laat ons niet luisteren naar enige zijner woorden!
  • Matt 22:15 : 15 Toen gingen de Farizeen heen, en hielden te zamen raad, hoe zij Hem verstrikken zouden in Zijn rede.
  • Matt 26:61 : 61 Maar ten laatste kwamen twee valse getuigen, en zeiden: Deze heeft gezegd: Ik kan den tempel Gods afbreken, en in drie dagen denzelven opbouwen.
  • Luk 11:54 : 54 Hem lagen leggende, en zoekende iets uit Zijn mond te bejagen, opdat zij Hem beschuldigen mochten.
  • Luk 22:3-6 : 3 En de satan voer in Judas, die toegenaamd was Iskariot, zijnde uit het getal der twaalven. 4 En hij ging heen en sprak met de overpriesters en de hoofdmannen, hoe hij Hem hun zou overleveren. 5 En zij waren verblijd, en zijn het eens geworden, dat zij hem geld geven zouden. 6 En hij beloofde het, en zocht gelegenheid, om Hem hun over te leveren, zonder oproer.
  • Joh 2:19 : 19 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Breekt dezen tempel, en in drie dagen zal Ik denzelven oprichten.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 6Den gansen dag verdraaien zij mijn woorden; al hun gedachten zijn tegen mij ten kwade.

  • 12Mijn liefhebbers en mijn vrienden staan van tegenover mijn plage, en mijn nabestaanden staan van verre.

  • Ps 56:1-2
    2 verzen
    79%

    1Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, op Jonath Elem Rechokim; als de Filistijnen hem gegrepen hadden te Gath.

    2Wees mij genadig, o God! want de mens zoekt mij op te slokken; den gansen dag dringt mij de bestrijder.

  • 3Aleph. Hij heeft Zich immers tegen mij gewend, Hij heeft Zijn hand den gansen dag veranderd.

  • 8Ik waak, en ben geworden als een eenzame mus op het dak.

  • 78%

    60Resch. Gij hebt al hun wraak gezien, al hun gedachten tegen mij.

    61Schin. HEERE! Gij hebt hun smaden gehoord, en al hun gedachten tegen mij;

    62Schin. De lippen dergenen, die tegen mij opstaan, en hun dichten tegen mij den gansen dag.

  • 7En zo iemand van hen komt, om mij te zien, hij spreekt valsheid; zijn hart vergadert zich onrecht; gaat hij uit naar buiten, hij spreekt er van.

  • 3Merk op mij, en verhoor mij; ik bedrijf misbaar in mijn klacht, en maak getier;

  • Job 16:9-11
    3 verzen
    77%

    9Zijn toorn verscheurt, en Hij haat mij; Hij knerst over mij met Zijn tanden; mijn wederpartijder scherpt zijn ogen tegen mij.

    10Zij gapen met hun mond tegen mij; zij slaan met smaadheid op mijn kinnebakken; zij vervullen zich te zamen aan mij.

    11God heeft mij den verkeerde overgegeven, en heeft mij afgewend in de handen der goddelozen.

  • 10Want mijn vijanden spreken van mij, en die op mijn ziel loeren, beraadslagen te zamen,

  • Ps 109:2-3
    2 verzen
    76%

    2Want de mond des goddelozen en de mond des bedrogs zijn tegen mij opengedaan; zij hebben met mij gesproken met een valse tong.

    3En met hatelijke woorden hebben zij mij omsingeld; ja, zij hebben mij bestreden zonder oorzaak.

  • 17Uw hittige toornigheden gaan over mij; Uw verschrikkingen doen mij vergaan.

  • 15Maar als ik hinkte, waren zij verblijd, en verzamelden zich; zij verzamelden zich tot mij als geslagenen, en ik merkte niets; zij scheurden hun klederen, en zwegen niet stil.

  • 2Red mij, HEERE! van den kwaden mens; behoed mij voor den man alles gewelds;

  • 3Red mij van de werkers der ongerechtigheid, en verlos mij van de mannen des bloeds.

  • 13Ik ben uit het hart vergeten als een dode; ik ben geworden als een bedorven vat.

  • 10Ik zal zeggen tot God: Mijn Steenrots! waarom vergeet Gij mij? Waarom ga ik in het zwart, vanwege des vijands onderdrukking?

  • 10Want ik heb gehoord de naspraak van velen, van Magor-missabib, zeggende: Geef ons te kennen, en wij zullen het te kennen geven; al mijn vredegenoten nemen acht op mijn hinking; zij zeggen: Misschien zal hij overreed worden, dan zullen wij hem overmogen, en onze wraak van hem nemen.

  • 6Verhef U boven de hemelen, o God! Uw eer zij over de ganse aarde.

  • Job 30:12-13
    2 verzen
    74%

    12Ter rechterhand staat de jeugd op, stoten mijn voeten uit, en banen tegen mij hun verderfelijke wegen.

    13Zij breken mijn pad af, zij bevorderen mijn ellende; zij hebben geen helper van doen.

  • 19Resch. Aanzie mijn vijanden, want zij vermenigvuldigen, en zij haten mij met een wreveligen haat.

  • 5En zij hebben mij kwaad voor goed opgelegd, en haat voor mijn liefde.

  • 4Ten dage, als ik zal vrezen, zal ik op U vertrouwen.

  • Ps 38:19-20
    2 verzen
    74%

    19Want ik maak U mijn ongerechtigheid bekend, ik ben bekommerd vanwege mijn zonde.

    20Maar mijn vijanden zijn levende, worden machtig; en die mij om valse oorzaken haten, worden groot.

  • 12Zij vergelden mij kwaad voor goed, de beroving mijner ziel.

  • 14Dewijl ik den gansen dag geplaagd ben, en mijn straffing is er alle morgens.

  • 5Ik zeide: O HEERE! wees mij genadig; genees mijn ziel, want ik heb tegen U gezondigd.

  • 19Alle mensen mijns heimelijken raads hebben een gruwel aan mij; en die ik liefhad, zijn tegen mij gekeerd.

  • 11Gij zult hun vrucht van de aarde verdoen, en hun zaad van de kinderen der mensen.

  • 20Dit zij het werkloon mijner tegenstanders van den HEERE, en dergenen, die kwaad spreken tegen mijn ziel.

  • 16Mijn kracht is verdroogd als een potscherf, en mijn tong kleeft aan mijn gehemelte; en Gij legt mij in het stof des doods.

  • 14He. Ik ben al mijn volk tot belaching geworden, hun snarenspel den gansen dag.

  • 5Bewaar mij, HEERE! van de handen des goddelozen; behoed mij van den man alles gewelds; van hen, die mijn voeten denken weg te stoten.

  • 21Schin. Zij horen, dat ik zucht, maar ik heb geen trooster; al mijn vijanden horen mijn kwaad; en zij zijn vrolijk, dat Gij het gedaan hebt; als Gij den dag zult voortgebracht hebben, dien Gij uitgeroepen hebt, zo zullen zij zijn, gelijk ik ben.

  • 8Want sinds ik spreke, roep ik uit, ik roep geweld en verstoring; omdat mij des HEEREN woord den gansen dag tot smaad en tot schimp is.

  • 3Immers is Hij mijn Rotssteen en mijn Heil, mijn Hoog Vertrek, ik zal niet grotelijks wankelen.

  • 11Daleth. Hij heeft mijn wegen afgewend; en Hij heeft mij in stukken gebroken; Hij heeft mij woest gemaakt.

  • 9Voor het aangezicht der goddelozen, die mij verwoesten, mijner doodsvijanden, die mij omringen.

  • 5Beth. Hij heeft tegen mij gebouwd, en Hij heeft mij met galle en moeite omringd.

  • 3O God! verlos mij door Uw Naam, en doe mij recht door Uw macht.

  • 2Hoe lang zult gijlieden mijn ziel bedroeven, en mij met woorden verbrijzelen?

  • 10Verslind hen, HEERE! deel hun tong; want ik zie wrevel en twist in de stad.