Jeremia 17:15
Ziet, zij zeggen tot mij: Waar is het woord des HEEREN? Laat het nu komen!
Ziet, zij zeggen tot mij: Waar is het woord des HEEREN? Laat het nu komen!
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
14Genees mij, HEERE! zo zal ik genezen worden, behoud mij, zo zal ik behouden worden; want Gij zijt mijn Lof.
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
16Ik heb toch niet aangedrongen, meer dan een herder achter U betaamde; ook heb ik den dodelijken dag niet begeerd, Gij weet het; wat uit mijn lippen is gegaan, is voor Uw aangezicht geweest.
15Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
11Daarna geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
18Waarom is mijn pijn steeds durende, en mijn plage smartelijk? Zij weigert geheeld te worden; zoudt Gij mij ganselijk zijn als een leugenachtige, als wateren, die niet bestendig zijn?
17Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
17Daarna geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
19Waar zijn nu ulieder profeten, die u geprofeteerd hebben, zeggende: De koning van Babel zal niet tegen ulieden, noch tegen dit land komen.
2Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
21Wederom geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
2Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
19HEERE! luister naar mij, en hoor naar de stem mijner twisters.
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
20Maar, o HEERE der heirscharen, Gij rechtvaardige Rechter, Die de nieren en het hart proeft! laat mij Uw wraak van hen zien; want aan U heb ik mijn twistzaak ontdekt.
9En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
45Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
15Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
8Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
19En des HEEREN woord geschiedde tot Jeremia, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
10En het zal geschieden, als gij dit volk al deze woorden zult aanzeggen, en zij tot u zeggen: Waarom spreekt de HEERE al dit grote kwaad over ons, en welke is onze misdaad, en welke is onze zonde, die wij tegen den HEERE, onzen God, gezondigd hebben?
19Alzo heeft de HEERE tot mij gezegd: Ga henen en sta in de poort van de kinderen des volks, door dewelke de koningen van Juda ingaan, en door dewelke zij uitgaan, ja, in alle poorten van Jeruzalem;
1Het woord, dat tot Jeremia geschied is van den HEERE, zeggende:
19Hebt Gij dan Juda ganselijk verworpen? Heeft Uw ziel een walging aan Sion? Waarom hebt Gij ons geslagen, dat er geen genezing voor ons is? Men wacht naar vrede, maar daar is niets goeds, en naar tijd van genezing, maar ziet, daar is verschrikking.
1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
17Gij vermoeit den HEERE met uw woorden; nog zegt gij: Waarmede vermoeien wij Hem? Daarmede, dat gij zegt: Al wie kwaad doet, is goed in de ogen des HEEREN, en Hij heeft lust aan zodanigen; of, waar is de God des oordeels?
20En ik zeide tot hen: Het woord des HEEREN is tot mij geschied, zeggende:
2Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is nu hun God?
1Het woord, dat tot Jeremia geschied is, van den HEERE, zeggende:
4Toen geschiedde het woord des HEEREN tot Jesaja, zeggende:
14Toen geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
23Voorts geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
15O HEERE! Gij weet het, gedenk mijner, en bezoek mij, en wreek mij van mijn vervolgers; neem mij niet weg in Uw lankmoedigheid over hen; weet, dat ik om Uwentwil versmaadheid drage.
16Als Uw woorden gevonden zijn, zo heb ik ze opgegeten, en Uw woord is mij geweest tot vreugde en tot blijdschap mijns harten; want ik ben naar Uw Naam genoemd, o HEERE, God der heirscharen!
8Wederom geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
37Aldus zult gij zeggen tot den profeet: Wat heeft u de HEERE geantwoord en wat heeft de HEERE gesproken?
15Hoort en neemt ter ore, verheft u niet; want de HEERE heeft het gesproken.
16Toen zeide Jesaja tot Hizkia: Hoor des HEEREN woord.
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
15Ach, die dag! want de dag des HEEREN is nabij, en zal als een verwoesting komen van den Almachtige.
4Het woord des HEEREN dan geschiedde tot mij, zeggende:
12En zij zullen zwerven van zee tot zee, en van het noorden tot het oosten; zij zullen omlopen om het woord des HEEREN te zoeken, maar zullen het niet vinden.