Ezechiël 12:1
Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
26Verder geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
21Wederom geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
2Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1En het woord des HEEREN geschiedde tot mij, zeggende:
12Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
15Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1Daarna geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
2Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
17Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
17Daarna geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
8En des morgens geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
9Mensenkind, heeft niet het huis Israels, het wederspannig huis, tot u gezegd: Wat doet gij?
1Voorts geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
4Het woord des HEEREN dan geschiedde tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
2Mensenkind! gij woont in het midden van een wederspannig huis, dewelke ogen hebben om te zien, en niet zien, oren hebben om te horen, en niet horen, want zij zijn een wederspannig huis.
11Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
14Toen geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
23Voorts geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
23Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
15Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
20Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
9En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
11Daarna geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
16Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
45Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Het woord, dat tot Jeremia geschied is, van den HEERE, zeggende:
16Het gebeurde nu ten einde van zeven dagen, dat het woord des HEEREN tot mij geschiedde, zeggende:
1Het gebeurde ook in het twaalfde jaar, in de twaalfde maand op den eersten der maand, dat het woord des HEEREN tot mij geschiedde, zeggende:
8Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
8Wederom geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1En het gebeurde in het elfde jaar, op den eersten der maand, dat des HEEREN woord tot mij geschiedde, zeggende:
1Het gebeurde ook in het elfde jaar, in de derde maand, op den eersten der maand, dat des HEEREN woord tot mij geschiedde, zeggende:
18Wederom geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende: