Ezechiël 28:11
Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1Voorts geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
9Zult gij dan enigszins, voor het aangezicht uws doodslagers, zeggen: Ik ben God? daar gij een mens zijt en geen God, in de hand desgenen, die u verslaat?
10Gij zult den dood der onbesnedenen sterven; door de hand der vreemden; want Ik heb het gesproken, spreekt de Heere HEERE.
20Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
2Gij dan, mensenkind! hef een klaaglied op over Tyrus;
1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
15Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
14Toen geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
26Verder geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
11Daarna geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
17Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
21Wederom geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
16Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
17Daarna geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
8Wederom geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Daarna geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
2Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
18Wederom geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
45Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
8Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
12Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
23Voorts geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1En het gebeurde in het elfde jaar, op den eersten der maand, dat des HEEREN woord tot mij geschiedde, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
23Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
15Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
2Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Het gebeurde ook in het elfde jaar, in de derde maand, op den eersten der maand, dat des HEEREN woord tot mij geschiedde, zeggende:
1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1En het woord des HEEREN geschiedde tot mij, zeggende:
17Voorts gebeurde het in het zeven en twintigste jaar, in de eerste maand, op den eersten der maand, dat het woord des HEEREN tot mij geschiedde, zeggende:
12Mensenkind! hef een klaaglied op over den koning van Tyrus, en zeg tot hem: Zo zegt de Heere HEERE: Gij verzegelaar der som, vol van wijsheid en volmaakt in schoonheid!
8En des morgens geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
11Want zo zegt de Heere HEERE: Het zwaard des konings van Babel zal u overkomen.
20En ik zeide tot hen: Het woord des HEEREN is tot mij geschied, zeggende:
4Het woord des HEEREN dan geschiedde tot mij, zeggende:
20Ook gebeurde het in het elfde jaar, in de eerste maand, op den zevenden der maand, dat het woord des HEEREN tot mij geschiedde, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende: