Jeremia 1:4
Het woord des HEEREN dan geschiedde tot mij, zeggende:
Het woord des HEEREN dan geschiedde tot mij, zeggende:
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
9En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1En het woord des HEEREN geschiedde tot mij, zeggende:
1In het begin des koninkrijks van Jojakim, den zoon van Josia, koning van Juda, geschiedde dit woord van den HEERE, zeggende:
1Het woord, dat tot Jeremia geschied is, van den HEERE, zeggende:
2Tot welken het woord des HEEREN geschiedde, in de dagen van Josia, zoon van Amon, koning van Juda, in het dertiende jaar zijner regering.
3Ook geschiedde het tot hem in de dagen van Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda, totdat voleind werd het elfde jaar van Zedekia, zoon van Josia, koning van Juda; totdat Jeruzalem gevankelijk werd weggevoerd in de vijfde maand.
1Het woord, dat tot Jeremia geschied is van den HEERE, zeggende:
5Eer Ik u in moeders buik formeerde, heb Ik u gekend, en eer gij uit de baarmoeder voortkwaamt, heb Ik u geheiligd; Ik heb u den volken tot een profeet gesteld.
2Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1In het begin des koninkrijks van Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda, geschiedde dit woord tot Jeremia, van den HEERE, zeggende:
1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Daarna geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
2Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
4Toen geschiedde het woord des HEEREN der heirscharen tot mij, zeggende:
8Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Het woord, dat tot Jeremia geschied is van den HEERE, zeggende:
1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1Het gebeurde ook in het vierde jaar van Jojakim, den zoon van Josia, den koning van Juda, dat dit woord tot Jeremia geschiedde van den HEERE, zeggende:
1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
23Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
15Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
5Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
6Jeremia dan zeide: Des HEEREN woord is tot mij geschied, zeggende:
1Het woord, dat tot Jeremia geschied is, van den HEERE, zeggende:
17Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
8Het woord des HEEREN geschiedde verder tot mij, zeggende:
11Daarna geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
23Voorts geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
16Het gebeurde nu ten einde van zeven dagen, dat het woord des HEEREN tot mij geschiedde, zeggende:
14Toen geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
21Wederom geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
19En des HEEREN woord geschiedde tot Jeremia, zeggende:
15Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Het gebeurde ook in het elfde jaar, in de derde maand, op den eersten der maand, dat des HEEREN woord tot mij geschiedde, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1En het woord des HEEREN geschiedde tot Jona, den zoon van Amitthai, zeggende: