Jeremia 7:1
Het woord, dat tot Jeremia geschied is, van den HEERE, zeggende:
Het woord, dat tot Jeremia geschied is, van den HEERE, zeggende:
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1Het woord, dat tot Jeremia geschied is, van den HEERE, zeggende:
2Hoort gijlieden de woorden dezes verbonds, en spreekt tot de mannen van Juda, en tot de inwoners van Jeruzalem;
1Het woord, dat tot Jeremia geschied is van den HEERE, zeggende:
1Het woord, dat tot Jeremia geschied is van den HEERE, zeggende:
2Sta in de poort van des HEEREN huis, en roep aldaar dit woord uit, en zeg: Hoort des HEEREN woord, o gans Juda! gij, die door deze poorten ingaat, om den HEERE aan te bidden.
1Daarna geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
1In het begin des koninkrijks van Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda, geschiedde dit woord tot Jeremia, van den HEERE, zeggende:
12Daarom geschiedde des HEEREN woord tot Jeremia, van den HEERE, zeggende:
12Toen geschiedde des HEEREN woord tot Jeremia, zeggende:
6Jeremia dan zeide: Des HEEREN woord is tot mij geschied, zeggende:
19En des HEEREN woord geschiedde tot Jeremia, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
4Toen geschiedde het woord des HEEREN der heirscharen tot mij, zeggende:
6Toen geschiedde des HEEREN woord tot den profeet Jeremia, zeggende:
1Het woord, dat tot Jeremia geschied is van den HEERE, in de dagen van Jojakim, den zoon van Josia, den koning van Juda, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
8Verder geschiedde het woord des HEEREN tot Zacharia, zeggende:
4Het woord des HEEREN dan geschiedde tot mij, zeggende:
1In het begin des koninkrijks van Jojakim, den zoon van Josia, koning van Juda, geschiedde dit woord van den HEERE, zeggende:
30Daarom geschiedde des HEEREN woord tot Jeremia, zeggende:
26Toen geschiedde des HEEREN woord tot Jeremia, zeggende:
19Alzo heeft de HEERE tot mij gezegd: Ga henen en sta in de poort van de kinderen des volks, door dewelke de koningen van Juda ingaan, en door dewelke zij uitgaan, ja, in alle poorten van Jeruzalem;
20En zeg tot hen: Hoort des HEEREN woord, gij koningen van Juda, en gans Juda, en alle inwoners van Jeruzalem, die door deze poorten ingaat!
1Het gebeurde ook in het vierde jaar van Jojakim, den zoon van Josia, den koning van Juda, dat dit woord tot Jeremia geschiedde van den HEERE, zeggende:
9En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1En het woord des HEEREN geschiedde tot mij, zeggende:
1Alzo zegt de HEERE: Ga af in het huis des konings van Juda, en spreek aldaar dit woord.
8Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
14Toen nu Jeremia van Tofeth kwam, waarhenen hem de HEERE gezonden had, om te profeteren, stond hij in het voorhof van des HEEREN huis, en zeide tot al het volk:
1Voorts geschiedde des HEEREN woord ten tweeden male tot Jeremia, als hij nog in het voorhof der bewaring was opgesloten, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1De woorden van Jeremia, den zoon van Hilkia, uit de priesteren, die te Anathoth waren, in het land van Benjamin;
2Tot welken het woord des HEEREN geschiedde, in de dagen van Josia, zoon van Amon, koning van Juda, in het dertiende jaar zijner regering.
2Hetwelk de profeet Jeremia gesproken heeft tot het ganse volk van Juda, en tot al de inwoners van Jeruzalem, zeggende:
1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
23Voorts geschiedde des HEEREN woord tot Jeremia, zeggende:
1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
7En de priesters, en de profeten, en al het volk, hoorden Jeremia deze woorden spreken in het huis des HEEREN.
7Maar hoor nu dit woord, dat ik spreek voor uw oren, en voor de oren des gansen volks:
11En aangaande het huis des konings van Juda, hoort des HEEREN woord.
7En het gebeurde ten einde van tien dagen, dat des HEEREN woord tot Jeremia geschiedde.
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
8Toen geschiedde des HEEREN woord tot Jeremia te Tachpanhes, zeggende:
2Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende: