Zacharia 7:8
Verder geschiedde het woord des HEEREN tot Zacharia, zeggende:
Verder geschiedde het woord des HEEREN tot Zacharia, zeggende:
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1In de achtste maand, in het tweede jaar van Darius, geschiedde het woord des HEEREN tot Zacharia, den zoon van Berechja, den zoon van Iddo, den profeet, zeggende:
7Zijn het niet de woorden, welke de HEERE uitriep door den dienst der vorige profeten, toen Jeruzalem bewoond en gerust was, en haar steden rondom haar; en het zuiden en de laagte bewoond was?
4Toen geschiedde het woord des HEEREN der heirscharen tot mij, zeggende:
6Nochtans Mijn woorden en Mijn inzettingen, die Ik Mijn knechten, den profeten, geboden had, hebben zij uw vaders niet getroffen? zodat zij wederkerende zeiden: Gelijk als de HEERE der heirscharen gedacht heeft ons te doen, naar onze wegen en naar onze handelingen, alzo heeft Hij met ons gedaan.
7Op den vier en twintigsten dag, in de elfde maand (die de maand Schebat is), in het tweede jaar van Darius, geschiedde het woord des HEEREN tot Zacharia, den zoon van Berechja, den zoon van Iddo, den profeet, zeggende:
8Het woord des HEEREN geschiedde verder tot mij, zeggende:
9Alzo sprak de HEERE der heirscharen, zeggende: Richt een waarachtig gericht, en doet goedertierenheid en barmhartigheden, de een aan den ander;
9En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1Daarna geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
1Het woord, dat tot Jeremia geschied is, van den HEERE, zeggende:
1Daarna geschiedde het woord des HEEREN der heirscharen tot mij, zeggende:
18Wederom geschiedde het woord des HEEREN der heirscharen tot mij, zeggende:
1Het gebeurde nu in het vierde jaar van den koning Darius, dat het woord des HEEREN geschiedde tot Zacharia, op den vierden der negende maand, namelijk in Chisleu.
2Toen men naar het huis van God gezonden had Sarezer, en Regem-Melech, en zijn mannen, om het aangezicht des HEEREN te smeken;
8Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
3Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
4Het woord des HEEREN dan geschiedde tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
8Toen geschiedde het woord des HEEREN tot hem, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1Het woord, dat tot Jeremia geschied is, van den HEERE, zeggende:
6Jeremia dan zeide: Des HEEREN woord is tot mij geschied, zeggende:
12Toen geschiedde des HEEREN woord tot Jeremia, zeggende:
1En het woord des HEEREN geschiedde tot mij, zeggende:
30Daarom geschiedde des HEEREN woord tot Jeremia, zeggende:
19En des HEEREN woord geschiedde tot Jeremia, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1Het woord, dat tot Jeremia geschied is van den HEERE, zeggende:
20En de Geest Gods toog Zacharia aan, den zoon van Jojada, den priester, die boven het volk stond, en hij zeide tot hen: Zo zegt God: Waarom overtreedt gij de geboden des HEEREN? Daarom zult gij niet voorspoedig zijn; dewijl gij den HEERE verlaten hebt, zo zal Hij u verlaten.
8Wederom geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
2Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Het woord, dat tot Jeremia geschied is van den HEERE, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
21Wederom geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
12Daarom geschiedde des HEEREN woord tot Jeremia, van den HEERE, zeggende:
6Toen geschiedde des HEEREN woord tot den profeet Jeremia, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
15Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
17Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
2Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
10En de HEERE voer voort te spreken tot Achaz, zeggende:
4Toen geschiedde het woord des HEEREN tot Jesaja, zeggende: