Zacharia 7:4
Toen geschiedde het woord des HEEREN der heirscharen tot mij, zeggende:
Toen geschiedde het woord des HEEREN der heirscharen tot mij, zeggende:
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
18Wederom geschiedde het woord des HEEREN der heirscharen tot mij, zeggende:
19Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Het vasten der vierde, en het vasten der vijfde, en het vasten der zevende, en het vasten der tiende maand, zal den huize van Juda tot vreugde, en tot blijdschap, en tot vrolijke hoogtijden wezen; hebt dan de waarheid en den vrede lief.
3Zeggende tot de priesters, die in het huis des HEEREN der heirscharen waren, en tot de profeten, zeggende: Moet ik wenen in de vijfde maand, mij afzonderende, gelijk als ik gedaan heb nu zo vele jaren?
9En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
8Verder geschiedde het woord des HEEREN tot Zacharia, zeggende:
1Daarna geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
4Het woord des HEEREN dan geschiedde tot mij, zeggende:
8Het woord des HEEREN geschiedde verder tot mij, zeggende:
1Het woord, dat tot Jeremia geschied is, van den HEERE, zeggende:
1Daarna geschiedde het woord des HEEREN der heirscharen tot mij, zeggende:
2Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
5Spreek tot het ganse volk dezes lands, en tot de priesters, zeggende: Toen gij vasttet en rouwklaagdet, in de vijfde en in de zevende maand, namelijk nu zeventig jaren, hebt gijlieden Mij, Mij enigszins gevast?
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
8Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
2Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
12Toen geschiedde des HEEREN woord tot Jeremia, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
4Toen geschiedde het woord des HEEREN tot Jesaja, zeggende:
1Het gebeurde nu in het vierde jaar van den koning Darius, dat het woord des HEEREN geschiedde tot Zacharia, op den vierden der negende maand, namelijk in Chisleu.
1Het woord, dat tot Jeremia geschied is, van den HEERE, zeggende:
15Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1En het woord des HEEREN geschiedde tot mij, zeggende:
12Daarom geschiedde des HEEREN woord tot Jeremia, van den HEERE, zeggende:
3Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Maakt uw wegen en uw handelingen goed, zo zal Ik ulieden doen wonen in deze plaats.
1Het gebeurde ook in het vierde jaar van Jojakim, den zoon van Josia, den koning van Juda, dat dit woord tot Jeremia geschiedde van den HEERE, zeggende:
17Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
6Toen geschiedde des HEEREN woord tot den profeet Jeremia, zeggende:
6Jeremia dan zeide: Des HEEREN woord is tot mij geschied, zeggende:
4Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
3Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
7Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.
19En des HEEREN woord geschiedde tot Jeremia, zeggende:
1Het woord, dat tot Jeremia geschied is van den HEERE, zeggende:
30Daarom geschiedde des HEEREN woord tot Jeremia, zeggende:
7Op den vier en twintigsten dag, in de elfde maand (die de maand Schebat is), in het tweede jaar van Darius, geschiedde het woord des HEEREN tot Zacharia, den zoon van Berechja, den zoon van Iddo, den profeet, zeggende:
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Het woord, dat tot Jeremia geschied is van den HEERE, zeggende:
4En beveel hun aan hun heren te zeggen: Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Zo zult gij tot uw heren zeggen:
20En ik zeide tot hen: Het woord des HEEREN is tot mij geschied, zeggende:
11Daarna geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
23Voorts geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
16Het gebeurde nu ten einde van zeven dagen, dat het woord des HEEREN tot mij geschiedde, zeggende:
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
26Toen geschiedde des HEEREN woord tot Jeremia, zeggende:
5Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende: