Ezechiël 20:2
Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1Daarna kwamen tot mij mannen uit de oudsten van Israel, en zaten neder voor mijn aangezicht.
2Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1En het geschiedde in het zevende jaar, in de vijfde maand, op den tienden derzelver maand, dat er mannen uit de oudsten van Israel kwamen, om den HEERE te vragen; en zij zaten neder voor mijn aangezicht.
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
17Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
45Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
21Wederom geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
20En ik zeide tot hen: Het woord des HEEREN is tot mij geschied, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
15Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
4Het woord des HEEREN dan geschiedde tot mij, zeggende:
23Voorts geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1En het woord des HEEREN geschiedde tot mij, zeggende:
1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
18Wederom geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Daarna geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
20Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
23Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
26Verder geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
9En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
16Het gebeurde nu ten einde van zeven dagen, dat het woord des HEEREN tot mij geschiedde, zeggende:
15Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Voorts geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
12Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
8Wederom geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
11Daarna geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
8Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Het woord, dat tot Jeremia geschied is van den HEERE, zeggende:
14Toen geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
5Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
11Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
4Toen geschiedde het woord des HEEREN der heirscharen tot mij, zeggende:
1Het gebeurde ook in het elfde jaar, in de derde maand, op den eersten der maand, dat des HEEREN woord tot mij geschiedde, zeggende:
1Het woord, dat tot Jeremia geschied is van den HEERE, zeggende:
17Daarna geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende: