Ezechiël 28:1
Voorts geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
Voorts geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
2Gij dan, mensenkind! hef een klaaglied op over Tyrus;
3En zeg tot Tyrus, die daar woont aan de ingangen der zee, handelende met de volken in vele eilanden: Zo zegt de Heere HEERE: O Tyrus! gij zegt: Ik ben volmaakt in schoonheid.
11Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
12Mensenkind! hef een klaaglied op over den koning van Tyrus, en zeg tot hem: Zo zegt de Heere HEERE: Gij verzegelaar der som, vol van wijsheid en volmaakt in schoonheid!
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
2Mensenkind! zeg tot den vorst van Tyrus: Zo zegt de Heere HEERE: Omdat uw hart zich verheft en zegt: Ik ben God, ik zit in Godes stoel, in het hart der zeeen! daar gij een mens en geen God zijt, stelt gij nochtans uw hart, als Gods hart.
20Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
2Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
26Verder geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
17Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
15Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Daarna geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
18Wederom geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1En het woord des HEEREN geschiedde tot mij, zeggende:
2Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
8Wederom geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
14Toen geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
12Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
23Voorts geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
21Wederom geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
1En het gebeurde in het elfde jaar, op den eersten der maand, dat des HEEREN woord tot mij geschiedde, zeggende:
15Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
16Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
45Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
17Voorts gebeurde het in het zeven en twintigste jaar, in de eerste maand, op den eersten der maand, dat het woord des HEEREN tot mij geschiedde, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1Het gebeurde ook in het elfde jaar, in de derde maand, op den eersten der maand, dat des HEEREN woord tot mij geschiedde, zeggende:
8Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
4Het woord des HEEREN dan geschiedde tot mij, zeggende:
23Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
11Daarna geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
1In het tiende jaar, in de tiende maand, op den twaalfden der maand, geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
8Het woord des HEEREN geschiedde verder tot mij, zeggende:
16Het gebeurde nu ten einde van zeven dagen, dat het woord des HEEREN tot mij geschiedde, zeggende: