Job 5:27
Zie dit, wij hebben het doorzocht, het is alzo; hoor het, en bemerk gij het voor u.
Zie dit, wij hebben het doorzocht, het is alzo; hoor het, en bemerk gij het voor u.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
26Gij zult in ouderdom ten grave komen, gelijk de korenhoop te zijner tijd opgevoerd wordt.
27Toen zag Hij haar, en vertelde ze; Hij schikte ze, en ook doorzocht Hij ze.
28Maar tot den mens heeft Hij gezegd: Zie, de vreze des HEEREN is de wijsheid, en van het kwade te wijken is het verstand.
4Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft,
21Gewen u toch aan Hem, en heb vrede; daardoor zal u het goede overkomen.
8Hebt gij den verborgen raad Gods gehoord, en hebt gij de wijsheid naar u getrokken?
9Wat weet gij, dat wij niet weten? Wat verstaat gij, dat bij ons niet is?
10Onder ons is ook een grijze, ja, een stokoude, meerder van dagen dan uw vader.
11En gij in uw laatste brult, als uw vlees, en uw lijf verteerd is;
16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.
1Ziet, dat alles heeft mijn oog gezien, mijn oor gehoord en verstaan.
9Verblijd u, o jongeling! in uw jeugd, en laat uw hart zich vermaken in de dagen uwer jongelingschap, en wandel in de wegen uws harten, en in de aanschouwingen uwer ogen; maar weet, dat God, om al deze dingen, u zal doen komen voor het gericht.
20Dat gij dat brengen zoudt tot zijn pale, en dat gij merken zoudt de paden zijns huizes?
21Gij weet het, want gij waart toen geboren, en uw dagen zijn veel in getal.
14Zodanig is de kennis der wijsheid voor uw ziel; als gij ze vindt, zo zal er beloning wezen, en uw verwachting zal niet afgesneden worden.
8Want vraag toch naar het vorige geslacht, en bereid u tot de onderzoeking hunner vaderen.
9Want wij zijn van gisteren en weten niet; dewijl onze dagen op de aarde een schaduw zijn.
17Ik zal u wijzen, hoor mij aan, en hetgeen ik gezien heb, dat zal ik vertellen;
10Zeg niet: Wat is er, dat de vorige dagen beter geweest zijn, dan deze? Want gij zoudt naar zulks niet uit wijsheid vragen.
5Dan zult gij de vreze des HEEREN verstaan, en zult de kennis van God vinden.
13Van alles, wat gehoord is, is het einde van de zaak: Vrees God, en houd Zijn geboden, want dit betaamt allen mensen.
18Ook een iegelijk mens, aan denwelken God rijkdom en goederen gegeven heeft, en Hij geeft hem de macht, om daarvan te eten, en om zijn deel te nemen, en om zich te verheugen van zijn arbeid, datzelve is een gave van God.
4Laat ons kiezen voor ons, wat recht is; laat ons kennen onder ons wat goed is.
25Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.
17Neig uw oor, en hoor de woorden der wijzen, en stel uw hart tot mijn wetenschap;
17Wees niet al te goddeloos, noch wees al te dwaas; waarom zoudt gij sterven buiten uw tijd?
18Het is goed, dat gij daaraan vasthoudt, en trek ook uw hand van dit niet af; want die God vreest, dien ontgaat dat al.
2Het is beter te gaan in het klaaghuis, dan te gaan in het huis des maaltijds; want in hetzelve is het einde aller mensen, en de levende legt het in zijn hart.
12Ziet, gij zelve allen hebt het gezien; en waarom wordt gij dus door ijdelheid verijdeld?
27Nader gij, en hoor alles, wat de HEERE, onze God, zeggen zal; en spreek gij tot ons al wat de HEERE, onze God, tot u spreken zal, en wij zullen het horen en doen.
23Zijt naarstig, om het aangezicht uwer schapen te kennen; zet uw hart op de kudden.
27Teth. Het is goed voor een man, dat hij het juk in zijn jeugd draagt.
5Wie het gebod onderhoudt, zal niets kwaads gewaar worden; en het hart eens wijzen zal tijd en wijze weten.
12Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.
20
1Beroem u niet over den dag van morgen; want gij weet niet, wat de dag zal baren.
19Opdat uw vertrouwen op den HEERE zij, maak ik u die heden bekend; gij ook maak ze bekend.
20Heb ik u niet heerlijke dingen geschreven van allerlei raad en wetenschap?
9Dan zult gij verstaan gerechtigheid, en recht, en billijkheden, en alle goed pad.
8Het zal een medicijn voor uw navel zijn, en een bevochtiging voor uw beenderen.
7Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.
10Alles, wat uw hand vindt om te doen, doe dat met uw macht; want er is geen werk, noch verzinning, noch wetenschap, noch wijsheid in het graf, daar gij heengaat.
1Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand;
25Ik keerde mij om, en mijn hart, om te weten, en om na te sporen, en te zoeken wijsheid en een sluitrede; en om te weten de goddeloosheid der zotheid, en de dwaasheid der onzinnigheden.
24De weg des levens is den verstandige naar boven; opdat hij afwijke van de hel, beneden.
15En gij zult tot uw vaderen gaan met vrede; gij zult in goeden ouderdom begraven worden.
25Alle mensen zien het aan; de mens schouwt het van verre.
12Ik heb gemerkt, dat er niets beters voor henlieden is, dan zich te verblijden, en goed te doen in zijn leven.
20Hoor raad, en ontvang tucht, opdat gij in uw laatste wijs zijt.
22Het verderf en de dood zeggen: Haar gerucht hebben wij met onze oren gehoord.