Spreuken 19:20
Hoor raad, en ontvang tucht, opdat gij in uw laatste wijs zijt.
Hoor raad, en ontvang tucht, opdat gij in uw laatste wijs zijt.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
5Die wijs is, zal horen, en zal in lere toenemen; en die verstandig is, zal wijzen raad bekomen.
19Hoor gij, mijn zoon! en word wijs, en richt uw hart op den weg.
21In het hart des mans zijn veel gedachten; maar de raad des HEEREN, die zal bestaan.
17Neig uw oor, en hoor de woorden der wijzen, en stel uw hart tot mijn wetenschap;
33Hoort de tucht, en wordt wijs, en verwerpt die niet.
15De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.
19Die groot is van grimmigheid, zal straf dragen; want zo gij hem uitredt, zo zult gij nog moeten voortvaren.
31Het oor, dat de bestraffing des levens hoort, zal in het midden der wijzen vernachten.
32Die de tucht verwerpt, die versmaadt zijn ziel; maar die de bestraffing hoort, krijgt verstand.
10Hoor, mijn zoon! en neem mijn redenen aan, en de jaren des levens zullen u vermenigvuldigd worden.
27Laat af, mijn zoon, horende de tucht, af te dwalen van de redenen der wetenschap.
12Begeef uw hart tot de tucht, en uw oren tot de redenen der wetenschap.
5Het is beter te horen het bestraffen des wijzen, dan dat iemand hore het gezang der dwazen.
18Elke gedachte wordt door raad bevestigd, daarom voer oorlog met wijze raadslagen.
21Als een erfenis in het eerste verhaast wordt, zo zal haar laatste niet gezegend worden.
15Het hart der verstandigen bekomt wetenschap, en het oor der wijzen zoekt wetenschap.
1Mijn zoon! zo gij mijn redenen aanneemt, en mijn geboden bij u weglegt;
2Om uw oren naar wijsheid te doen opmerken; zo gij uw hart tot verstandigheid neigt;
19Hoor nu mijn stem, ik zal u raden, en God zal met u zijn; wees gij voor het volk bij God, en breng gij de zaken voor God;
22De gedachten worden vernietigd, als er geen raad is; maar door veelheid der raadslieden zal elkeen bestaan.
21Gewen u toch aan Hem, en heb vrede; daardoor zal u het goede overkomen.
22Ontvang toch de wet uit Zijn mond, en leg Zijn redenen in uw hart.
16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.
29O, dat zij wijs waren; zij zouden dit vernemen, zij zouden op hun einde merken.
1Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand;
18Armoede en schande is desgenen, die de tucht verwerpt; maar die de bestraffing waarneemt; zal geeerd worden.
9Leer den wijze, zo zal hij nog wijzer worden; onderwijs den rechtvaardige, zo zal hij in leer toenemen.
6Want door wijze raadslagen zult gij voor u den krijg voeren, en in de veelheid der raadgevers is de overwinning.
8Die wijs van hart is, neemt de geboden aan; maar die dwaas is van lippen, zal omgeworpen worden.
20Mijn zoon! merk op mijn woorden, neig uw oor tot mijn redenen.
17Het pad tot het leven is desgenen die de tucht bewaart; maar die de bestraffing verlaat, doet dwalen.
20Hebt gij een man gezien, die haastig in zijn woorden is? Van een zot is meer verwachting dan van hem.
3Om aan te nemen onderwijs van goed verstand, gerechtigheid, en recht, en billijkheden;
5De raad in het hart eens mans is als diepe wateren; maar een man van verstand zal dien uithalen.
18Omdat er grimmigheid is, wacht u, dat Hij u misschien niet met een klop wegstote; zodat u een groot rantsoen er niet zou afbrengen.
22Het verstand dergenen, die het bezitten, is een springader des levens; maar de tucht der dwazen is dwaasheid.
23Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.
1Een man, die, dikwijls bestraft zijnde, den nek verhardt, zal schielijk verbroken worden, zodat er geen genezen aan zij.
5Een dwaas zal de tucht zijns vaders versmaden; maar die de bestraffing waarneemt, zal kloekzinniglijk handelen.
20Die op het woord verstandelijk let, zal het goede vinden; en die op den HEERE vertrouwt, is welgelukzalig.
1Een wijs zoon hoort de tucht des vaders; maar een spotter hoort de bestraffing niet.
12De kloekzinnige ziet het kwaad, en verbergt zich; de slechten gaan henen door, en worden gestraft.
25Sla de spotter, zo zal de slechte kloekzinnig worden; en bestraf den verstandige, hij zal wetenschap begrijpen.
10De bestraffing gaat dieper in den verstandige, dan den zot honderd maal te slaan.
33Zo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leren.
17De woorden der wijzen moeten in stilheid aangehoord worden, meer dan het geroep desgenen, die over de zotten heerst.
27Zie dit, wij hebben het doorzocht, het is alzo; hoor het, en bemerk gij het voor u.
1Hoort, gij kinderen! de tucht des vaders, en merkt op, om verstand te weten.
10Neemt Mijn tucht aan, en niet zilver, en wetenschap, meer dan het uitgelezen uitgegraven goud.
24In het aangezicht des verstandigen is wijsheid; maar de ogen des zots zijn in het einde der aarde.