Spreuken 10:17

Statenvertaling (States Bible)

Het pad tot het leven is desgenen die de tucht bewaart; maar die de bestraffing verlaat, doet dwalen.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Spr 3:1-2 : 1 Mijn zoon! vergeet mijn wet niet, maar uw hart beware mijn geboden. 2 Want langheid van dagen, en jaren van leven, en vrede zullen zij u vermeerderen.
  • Spr 3:18 : 18 Zij is een boom des levens dengenen, die ze aangrijpen, en elkeen, die ze vasthoudt, wordt gelukzalig.
  • Spr 1:25-26 : 25 En gij al Mijn raad verworpen, en Mijn bestraffing niet gewild hebt; 26 Zo zal Ik ook in ulieder verderf lachen; Ik zal spotten, wanneer uw vreze komt.
  • Spr 5:12 : 12 En zegt: Hoe heb ik de tucht gehaat, en mijn hart de bestraffing versmaad!
  • Spr 6:23 : 23 Want het gebod is een lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen der tucht zijn de weg des levens;
  • Spr 15:10 : 10 De tucht is onaangenaam voor dengene die het pad verlaat; en die de bestraffing haat, zal sterven.
  • Spr 22:17-19 : 17 Neig uw oor, en hoor de woorden der wijzen, en stel uw hart tot mijn wetenschap; 18 Want het is liefelijk, als gij die in uw binnenste bewaart; zij zullen samen op uw lippen gepast worden. 19 Opdat uw vertrouwen op den HEERE zij, maak ik u die heden bekend; gij ook maak ze bekend.
  • Spr 29:1 : 1 Een man, die, dikwijls bestraft zijnde, den nek verhardt, zal schielijk verbroken worden, zodat er geen genezen aan zij.
  • Pred 5:6 : 6 Want gelijk in de veelheid der dromen ijdelheden zijn, alzo in veel woorden; maar vrees gij God!
  • Matt 7:24-27 : 24 Een iegelijk dan, die deze Mijn woorden hoort en dezelve doet, dien zal Ik vergelijken bij een voorzichtig man, die zijn huis op een steenrots gebouwd heeft; 25 En er is slagregen nedergevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen hetzelve huis aangevallen, en het is niet gevallen, want het was op de steenrots gegrond. 26 En een iegelijk, die deze Mijn woorden hoort en dezelve niet doet, die zal bij een dwazen man vergeleken worden, die zijn huis op het zand gebouwd heeft; 27 En de slagregen is nedergevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen hetzelve huis aangeslagen, en het is gevallen, en zijn val was groot.
  • Luk 11:28 : 28 Maar Hij zeide: Ja, zalig zijn degenen, die het Woord Gods horen, en hetzelve bewaren.
  • Heb 2:1 : 1 Daarom moeten wij ons te meer houden aan hetgeen van ons gehoord is, opdat wij niet te eniger tijd doorvloeien.
  • Heb 12:25 : 25 Ziet toe, dat gij Dien, Die spreekt, niet verwerpt; want indien dezen niet zijn ontvloden, die dengene verwierpen, welke op aarde Goddelijke antwoorden gaf, veelmeer zullen wij niet ontvlieden, zo wij ons van Dien afkeren, Die van de hemelen is;
  • 2 Petr 1:5-9 : 5 En gij, tot hetzelve ook alle naarstigheid toebrengende, voegt bij uw geloof deugd, en bij de deugd kennis, 6 En bij de kennis matigheid, en bij de matigheid lijdzaamheid, en bij de lijdzaamheid godzaligheid, 7 En bij de godzaligheid broederlijke liefde, en bij de broederlijke liefde, liefde jegens allen. 8 Want zo deze dingen bij u zijn, en in u overvloedig zijn, zij zullen u niet ledig noch onvruchtbaar laten in de kennis van onzen Heere Jezus Christus. 9 Want bij welken deze dingen niet zijn, die is blind, van verre niet ziende, hebbende vergeten de reiniging zijner vorige zonden. 10 Daarom, broeders, benaarstigt u te meer, om uw roeping en verkiezing vast te maken; want dat doende zult gij nimmermeer struikelen. 11 Want alzo zal u rijkelijk toegevoegd worden de ingang in het eeuwig Koninkrijk van onzen Heere en Zaligmaker, Jezus Christus.
  • Spr 12:1 : 1 Wie de tucht liefheeft, die heeft de wetenschap lief; maar wie de bestraffing haat, is onvernuftig.
  • Spr 1:30 : 30 Zij hebben in Mijn raad niet bewilligd; al Mijn bestraffingen hebben zij versmaad;
  • Spr 4:4 : 4 Hij nu leerde mij, en zeide tot mij: Uw hart houde mijn woorden vast, onderhoud mijn geboden, en leef.
  • Spr 4:13 : 13 Grijp de tucht aan, laat niet af; bewaar ze, want zij is uw leven.
  • 2 Kron 25:16 : 16 En het geschiedde, als hij tot hem sprak, dat hij hem zeide: Heeft men u tot des konings raadgever gesteld? Houd gij op; waarom zouden zij u slaan? Toen hield de profeet op, en zeide: Ik merk, dat God besloten heeft u te verderven, dewijl gij dit gedaan, en naar mijn raad niet gehoord hebt.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 10De tucht is onaangenaam voor dengene die het pad verlaat; en die de bestraffing haat, zal sterven.

  • Spr 15:31-32
    2 verzen
    82%

    31Het oor, dat de bestraffing des levens hoort, zal in het midden der wijzen vernachten.

    32Die de tucht verwerpt, die versmaadt zijn ziel; maar die de bestraffing hoort, krijgt verstand.

  • 5Een dwaas zal de tucht zijns vaders versmaden; maar die de bestraffing waarneemt, zal kloekzinniglijk handelen.

  • 18Armoede en schande is desgenen, die de tucht verwerpt; maar die de bestraffing waarneemt; zal geeerd worden.

  • 1Wie de tucht liefheeft, die heeft de wetenschap lief; maar wie de bestraffing haat, is onvernuftig.

  • Spr 10:8-9
    2 verzen
    78%

    8Die wijs van hart is, neemt de geboden aan; maar die dwaas is van lippen, zal omgeworpen worden.

    9Die in oprechtheid wandelt, wandelt zeker; maar die zijn wegen verkeert, zal bekend worden.

  • 10De bestraffing gaat dieper in den verstandige, dan den zot honderd maal te slaan.

  • 17De baan der oprechten is van het kwaad af te wijken; hij behoedt zijn ziel, die zijn weg bewaart.

  • Spr 9:6-7
    2 verzen
    76%

    6Verlaat de slechtigheden, en leeft; en treedt in den weg des verstands.

    7Wie den spotter tuchtigt, behaalt zich schande; en die den goddeloze bestraft, zijn schandvlek.

  • 33Hoort de tucht, en wordt wijs, en verwerpt die niet.

  • 15De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.

  • 27Laat af, mijn zoon, horende de tucht, af te dwalen van de redenen der wetenschap.

  • 18Die den haat bedekt, is van valse lippen, en die een kwaad gerucht voortbrengt, is een zot.

  • 1Een wijs zoon hoort de tucht des vaders; maar een spotter hoort de bestraffing niet.

  • 1Een man, die, dikwijls bestraft zijnde, den nek verhardt, zal schielijk verbroken worden, zodat er geen genezen aan zij.

  • 20Wie verdraaid is van hart, zal het goede niet vinden; en die verkeerd is met zijn tong, zal in het kwaad vallen.

  • 23Hij zal sterven, omdat hij zonder tucht geweest is, en in de grootheid zijner dwaasheid zal hij verdwalen.

  • 22Het verstand dergenen, die het bezitten, is een springader des levens; maar de tucht der dwazen is dwaasheid.

  • 6De gerechtigheid bewaart den oprechte van weg; maar de goddeloosheid zal den zondaar omkeren.

  • 16Die het gebod bewaart, bewaart zijn ziel; die zijn wegen veracht, zal sterven.

  • 5Doornen en strikken, zijn in den weg des verkeerden; die zijn ziel bewaart, zal zich verre van die maken.

  • 23Want het gebod is een lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen der tucht zijn de weg des levens;

  • 16Het werk des rechtvaardigen is ten leven; de inkomst des goddelozen is ter zonde.

  • 2Die in zijn oprechtheid wandelt, vreest den HEERE; maar die afwijkt in zijn wegen, veracht Hem.

  • Spr 13:14-15
    2 verzen
    74%

    14Des wijzen leer is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods.

    15Goed verstand geeft aangenaamheid; maar de weg der trouwelozen is streng.

  • 16Een mens, die van den weg des verstands afdwaalt, zal in de gemeente der doden rusten.

  • 25Sla de spotter, zo zal de slechte kloekzinnig worden; en bestraf den verstandige, hij zal wetenschap begrijpen.

  • 3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.

  • 24De weg des levens is den verstandige naar boven; opdat hij afwijke van de hel, beneden.

  • 20Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.

  • 10Die de oprechten doet dwalen op een kwaden weg, zal zelf in zijn gracht vallen; maar de vromen zullen het goede beerven.

  • 8De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij.

  • 19Alzo is de gerechtigheid ten leven, gelijk die het kwade najaagt, naar zijn dood jaagt.

  • 15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.

  • 12En zegt: Hoe heb ik de tucht gehaat, en mijn hart de bestraffing versmaad!

  • 11Mijn zoon! verwerp de tucht des HEEREN niet, en wees niet verdrietig over Zijn kastijding;

  • 17Zie, gelukzalig is de mens, denwelken God straft; daarom verwerp de kastijding des Almachtigen niet.

  • 1De arme, in zijn oprechtheid wandelende, is beter dan de verkeerde van lippen, en die een zot is.

  • 21De dwaasheid is den verstandeloze blijdschap; maar een man van verstand zal recht wandelen.

  • 9Leer den wijze, zo zal hij nog wijzer worden; onderwijs den rechtvaardige, zo zal hij in leer toenemen.

  • Spr 4:13-14
    2 verzen
    72%

    13Grijp de tucht aan, laat niet af; bewaar ze, want zij is uw leven.

    14Kom niet op het pad der goddelozen, en treed niet op den weg der bozen.

  • 17Die haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen; en een man van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden.

  • 5Het is beter te horen het bestraffen des wijzen, dan dat iemand hore het gezang der dwazen.

  • 21Die rechtvaardigheid en weldadigheid najaagt, zal het leven, rechtvaardigheid en eer vinden.

  • 23Keert u tot Mijn bestraffing; ziet, Ik zal Mijn Geest ulieden overvloediglijk uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekend maken.