Spreuken 15:24
De weg des levens is den verstandige naar boven; opdat hij afwijke van de hel, beneden.
De weg des levens is den verstandige naar boven; opdat hij afwijke van de hel, beneden.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
14Des wijzen leer is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods.
15Goed verstand geeft aangenaamheid; maar de weg der trouwelozen is streng.
16Hoeveel beter is het wijsheid te bekomen, dan uitgegraven goud, en uitnemender, verstand te bekomen, dan zilver!
17De baan der oprechten is van het kwaad af te wijken; hij behoedt zijn ziel, die zijn weg bewaart.
12Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.
25Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.
28In het pad der gerechtigheid is het leven; en in den weg van haar voetpad is de dood niet.
10De tucht is onaangenaam voor dengene die het pad verlaat; en die de bestraffing haat, zal sterven.
11De hel en het verderf zijn voor den HEERE; hoeveel te meer de harten van des mensenkinderen?
16Een mens, die van den weg des verstands afdwaalt, zal in de gemeente der doden rusten.
18Want haar huis helt naar den dood, en haar paden naar de overledenen.
19Allen die tot haar ingaan, zullen niet wederkomen, en zullen de paden des levens niet aantreffen;
20Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.
8De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij.
27De vreze des HEEREN is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods.
21De dwaasheid is den verstandeloze blijdschap; maar een man van verstand zal recht wandelen.
31Het oor, dat de bestraffing des levens hoort, zal in het midden der wijzen vernachten.
21De wijze van hart zal verstandig genoemd worden; en de zoetheid der lippen zal de lering vermeerderen.
22Het verstand dergenen, die het bezitten, is een springader des levens; maar de tucht der dwazen is dwaasheid.
23Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.
27Haar huis zijn wegen des grafs, dalende naar de binnenkameren des doods.
5Haar voeten dalen naar den dood, haar treden houden de hel vast.
6Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt.
5Doornen en strikken, zijn in den weg des verkeerden; die zijn ziel bewaart, zal zich verre van die maken.
17Het pad tot het leven is desgenen die de tucht bewaart; maar die de bestraffing verlaat, doet dwalen.
6Verlaat de slechtigheden, en leeft; en treedt in den weg des verstands.
15De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.
24In het aangezicht des verstandigen is wijsheid; maar de ogen des zots zijn in het einde der aarde.
4Het hart der wijzen is in het klaaghuis; maar het hart der zotten in het huis der vreugde.
15De slechte gelooft alle woord; maar de kloekzinnige merkt op zijn gang.
16De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot is oplopende toornig, en zorgeloos.
23Een man heeft blijdschap in het antwoord zijns monds; en hoe goed is een woord op zijn tijd!
19De weg des luiaards is als een doornheg; maar het pad der oprechten is wel gebaand.
14De wijzen leggen wetenschap weg; maar den mond des dwazen is de verstoring nabij.
5Die wijs is, zal horen, en zal in lere toenemen; en die verstandig is, zal wijzen raad bekomen.
32De goddeloze zal heengedreven worden in zijn kwaad; maar de rechtvaardige betrouwt zelfs in zijn dood.
33Wijsheid rust in het hart des verstandigen; maar wat in het binnenste der zotten is, wordt bekend.
13Welgelukzalig is de mens, die wijsheid vindt, en de mens, die verstandigheid voortbrengt!
19Hoor gij, mijn zoon! en word wijs, en richt uw hart op den weg.
30De vrucht des rechtvaardigen is een boom des levens; en wie zielen vangt, is wijs.
2De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.
15Verwerp dien, ga er niet door; wijk er van, en ga voorbij.
23De vreze des HEEREN is ten leven; want men zal verzadigd zijnde vernachten; met het kwaad zal men niet bezocht worden.
28Maar tot den mens heeft Hij gezegd: Zie, de vreze des HEEREN is de wijsheid, en van het kwade te wijken is het verstand.
12De kloekzinnige ziet het kwaad, en verbergt zich; de slechten gaan henen door, en worden gestraft.
9Die in oprechtheid wandelt, wandelt zeker; maar die zijn wegen verkeert, zal bekend worden.
24De treden des mans zijn van den HEERE; hoe zou dan een mens zijn weg verstaan?
22De wijze beklimt de stad der geweldigen, en werpt de sterkte huns vertrouwens neder.
15Hebt gij het pad der eeuw waargenomen, dat de ongerechtige lieden betreden hebben?
8Die verstand bekomt, heeft zijn ziel lief; hij neemt de verstandigheid waar, om het goede te vinden.