Spreuken 7:27
Haar huis zijn wegen des grafs, dalende naar de binnenkameren des doods.
Haar huis zijn wegen des grafs, dalende naar de binnenkameren des doods.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
17Die den leidsman harer jonkheid verlaat, en het verbond haars Gods vergeet;
18Want haar huis helt naar den dood, en haar paden naar de overledenen.
19Allen die tot haar ingaan, zullen niet wederkomen, en zullen de paden des levens niet aantreffen;
25Laat uw hart tot haar wegen niet wijken, dwaalt niet op haar paden.
26Want zij heeft veel gewonden nedergeveld, en al haar gedoden zijn machtig vele.
4Maar het laatste van haar is bitter als alsem, scherp als een tweesnijdend zwaard.
5Haar voeten dalen naar den dood, haar treden houden de hel vast.
6Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt.
10En ziet, een vrouw ontmoette hem in hoerenversiersel, en met het hart op haar hoede;
11Deze was woelachtig en wederstrevig, haar voeten bleven in haar huis niet;
12Nu buiten, dan op de straten zijnde, en bij alle hoeken loerende;
8Maak uw weg verre van haar, en nader niet tot de deur van haar huis;
8Voorbijgaande op de straat, nevens haar hoek, en hij trad op den weg van haar huis.
26En ik vond een bitterder ding, dan de dood: een vrouw, welker hart netten en garen, en haar handen banden zijn; wie goed is voor Gods aangezicht, zal van haar ontkomen; daarentegen de zondaar zal van haar gevangen worden.
27Want een hoer is een diepe gracht, en een vreemde vrouw is een enge put.
28Ook loert zij als een rover; en zij vermenigvuldigt de trouwelozen onder de mensen.
24De weg des levens is den verstandige naar boven; opdat hij afwijke van de hel, beneden.
1De opperste Wijsheid heeft Haar huis gebouwd; Zij heeft Haar zeven pilaren gehouwen.
2Zij heeft Haar slachtvee geslacht. Zij heeft Haar wijn gemengd; ook heeft Zij Haar tafel toegericht.
3Zij heeft Haar dienstmaagden uitgezonden; Zij nodigt op de tinnen van de hoogten der stad:
4Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts! Tot de verstandeloze zegt Zij:
14De mond der vreemde vrouwen is een diepe gracht; op welken de HEERE vergramd is, zal daarin vallen.
21Zij bewoog hem door de veelheid van haar onderricht, zij dreef hem aan door het gevlei harer lippen.
22Hij ging haar straks achterna, gelijk een os ter slachting gaat, en gelijk een dwaas tot de tuchtiging der boeien.
14En zij zit aan de deur van haar huis, op een stoel, op de hoge plaatsen der stad;
15Om te roepen degenen, die op den weg voorbijgaan, die hun paden recht maken, zeggende:
26Want door een vrouw, die een hoer is, komt men tot een stuk broods; en eens mans huisvrouw jaagt de kostelijke ziel.
1Elke wijze vrouw bouwt haar huis; maar die zeer dwaas is, breekt het af met haar handen.
18Maar hij weet niet, dat aldaar doden zijn; haar genoden zijn in de diepten der hel.
17Haar wegen zijn wegen der liefelijkheid, en al haar paden vrede.
12Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.
15Wij, die te zamen in zoetigheid heimelijk raadpleegden; wij wandelden in gezelschap ten huize Gods.
11De hel en het verderf zijn voor den HEERE; hoeveel te meer de harten van des mensenkinderen?
32O, die overspelige vrouw, zij neemt in plaats van haar man de vreemden aan.
14Daarom zal het graf zichzelf wijd opensperren, en zijn mond opendoen, zonder maat; opdat nederdale haar heerlijkheid, en haar menigte, met haar gedruis, en die in haar van vreugde opspringt.
7Gelijk een bornput zijn water opgeeft, alzo geeft zij haar boosheid op; geweld en verstoring wordt in haar gehoord, weedom en plaging is steeds voor Mijn aangezicht.
27En de slagregen is nedergevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen hetzelve huis aangeslagen, en het is gevallen, en zijn val was groot.
3Aan de zijde der poorten, voor aan de stad, aan den ingang der deuren roept Zij overluid:
5Opdat zij u bewaren voor een vreemde vrouw, voor de onbekende, die met haar redenen vleit.
6Maar die haar wellust volgt, die is levende gestorven.
9Het is beter te wonen op een hoek van het dak, dan met een kijfachtige huisvrouw, en dat in een huis van gezelschap.
25Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.
10Gij hebt schaamte beraadslaagd voor uw huis; uitroeiende vele volken, zo hebt gij gezondigd tegen uw ziel.
16Een mens, die van den weg des verstands afdwaalt, zal in de gemeente der doden rusten.
23Welker graven gesteld zijn in de zijden des kuils, en haar hoop is rondom haar graf; zij zijn allen verslagen, gevallen door het zwaard, die een schrik gaven in het land der levenden.
7Zoveel als zij zichzelve verheerlijkt heeft, en weelde gehad heeft, zo grote pijniging en rouw doet haar aan; want zij zegt in haar hart: Ik zit als een koningin, en ben geen weduwe, en zal geen rouw zien.
27Tsade. Zij beschouwt de gangen van haar huis; en het brood der luiheid eet zij niet.
20Alzo is de weg ener overspelige vrouw; zij eet en wist haar mond, en zegt: Ik heb geen ongerechtigheid gewrocht!
7De goddelozen worden omgekeerd, dat zij niet meer zijn; maar het huis der rechtvaardigen zal bestaan.
15Wat heeft Mijn beminde in Mijn huis te doen, dewijl zij die schandelijke daad met velen doet, en het heilige vlees van u geweken is? Wanneer gij kwaad doet, dan springt gij op van vreugde.