Spreuken 9:18

Statenvertaling (States Bible)

Maar hij weet niet, dat aldaar doden zijn; haar genoden zijn in de diepten der hel.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Spr 7:27 : 27 Haar huis zijn wegen des grafs, dalende naar de binnenkameren des doods.
  • 2 Petr 3:5 : 5 Want willens is dit hun onbekend, dat door het woord Gods de hemelen van over lang geweest zijn, en de aarde uit het water en in het water bestaande;
  • Ps 82:5 : 5 Zij weten niet, en verstaan niet; zij wandelen steeds in duisternis; dies wankelen alle fondamenten der aarde.
  • Spr 1:7 : 7 De vrees des HEEREN is het beginsel der wetenschap; de dwazen verachten wijsheid en tucht.
  • Spr 2:18-19 : 18 Want haar huis helt naar den dood, en haar paden naar de overledenen. 19 Allen die tot haar ingaan, zullen niet wederkomen, en zullen de paden des levens niet aantreffen;
  • Spr 5:5 : 5 Haar voeten dalen naar den dood, haar treden houden de hel vast.
  • Spr 6:26 : 26 Want door een vrouw, die een hoer is, komt men tot een stuk broods; en eens mans huisvrouw jaagt de kostelijke ziel.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Spr 9:16-17
    2 verzen
    77%

    16Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts; en tot den verstandeloze zegt zij:

    17De gestolen wateren zijn zoet, en het verborgen brood is liefelijk.

  • Spr 2:18-19
    2 verzen
    73%

    18Want haar huis helt naar den dood, en haar paden naar de overledenen.

    19Allen die tot haar ingaan, zullen niet wederkomen, en zullen de paden des levens niet aantreffen;

  • 5Want de levenden weten, dat zij sterven zullen, maar de doden weten niet met al; zij hebben ook geen loon meer, maar hun gedachtenis is vergeten.

  • 21Gewisselijk, zodanige zijn de woningen des verkeerden, en dit is de plaats desgenen die God niet kent.

  • 27Haar huis zijn wegen des grafs, dalende naar de binnenkameren des doods.

  • 16Een mens, die van den weg des verstands afdwaalt, zal in de gemeente der doden rusten.

  • 14Daarom zal het graf zichzelf wijd opensperren, en zijn mond opendoen, zonder maat; opdat nederdale haar heerlijkheid, en haar menigte, met haar gedruis, en die in haar van vreugde opspringt.

  • Spr 5:5-6
    2 verzen
    70%

    5Haar voeten dalen naar den dood, haar treden houden de hel vast.

    6Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt.

  • Job 24:16-19
    4 verzen
    70%

    16In de duisternis doorgraaft hij de huizen, die zij zich des daags afgetekend hadden; zij kennen het licht niet.

    17Want de morgenstond is hun te zamen de schaduw des doods; als men hen kent, zijn zij in de strikken van des doods schaduw.

    18Hij is licht op het vlakke der wateren; vervloekt is hun deel op de aarde; hij wendt zich niet tot den weg der wijngaarden.

    19De droogte mitsgaders de hitte nemen de sneeuwwateren weg; alzo het graf dergenen, die gezondigd hebben.

  • Job 28:13-14
    2 verzen
    69%

    13De mens weet haar waarde niet, en zij wordt niet gevonden in het land der levenden.

    14De afgrond zegt: Zij is in mij niet; en de zee zegt: Zij is niet bij mij.

  • 18Want het graf zal U niet loven, de dood zal U niet prijzen; die in den kuil nederdalen, zullen op Uw waarheid niet hopen.

  • Job 26:5-6
    2 verzen
    69%

    5De doden zullen geboren worden van onder de wateren, en hun inwoners.

    6De hel is naakt voor Hem, en geen deksel is er voor het verderf.

  • 19Rijk ligt hij neder, en wordt niet weggenomen; doet hij zijn ogen open, zo is hij er niet.

  • 21Die verlangen naar den dood, maar hij is er niet; en graven daarnaar meer dan naar verborgene schatten;

  • 17De doden zullen den HEERE niet prijzen, noch die in de stilte nedergedaald zijn.

  • 24De weg des levens is den verstandige naar boven; opdat hij afwijke van de hel, beneden.

  • 11De hel en het verderf zijn voor den HEERE; hoeveel te meer de harten van des mensenkinderen?

  • 7Want hij weet niet, wat er geschieden zal; want wie zal het hem te kennen geven, wanneer het geschieden zal?

  • 68%

    5Keer weder, HEERE, red mijn ziel; verlos mij, om Uwer goedertierenheid wil.

  • 9De hel van onderen was beroerd om uwentwil, om u tegemoet te gaan, als gij kwaamt; zij wekt om uwentwil de doden op, al de bokken der aarde; zij doet al de koningen der heidenen van hun tronen opstaan.

  • 5En ook dewijl hij trouwelooslijk handelt bij den wijn, een trots man is, en in zijn woning niet blijft; die zijn ziel wijd opendoet als het graf, en gelijk de dood is, die niet zat wordt, en tot zich verzamelt al de heidenen, en vergadert tot zich alle volken.

  • Job 7:9-10
    2 verzen
    68%

    9Een wolk vergaat en vaart henen; alzo die in het graf daalt, zal niet weder opkomen.

    10Hij zal niet meer wederkeren tot zijn huis, en zijn plaats zal hem niet meer kennen.

  • 20De hel en het verderf worden niet verzadigd; alzo worden de ogen des mensen niet verzadigd.

  • 17Zijn u de poorten des doods ontdekt, en hebt gij gezien de poorten van de schaduw des doods?

  • 32Eindelijk wordt hij naar de graven gebracht, en is gedurig in den aardhoop.

  • 12Laat ons hen levend verslinden, als het graf; ja, geheel en al, gelijk die in den kuil nederdalen;

  • 6Beth. Hij heeft mij gezet in duistere plaatsen, als degenen, die over lang dood zijn.

  • 8Zij is als de hoogten der hemelen, wat kunt gij doen? Dieper dan de hel, wat kunt gij weten?

  • 5Ik ben gerekend met degenen, die in de kuil nederdalen; ik ben geworden als een man, die krachteloos is;

  • 17De HEERE is bekend geworden; Hij heeft recht gedaan; de goddeloze is verstrikt in het werk zijner handen! Higgajon, Sela.

  • 25De ander daarentegen sterft met een bittere ziel, en hij heeft van het goede niet gegeten.

  • 6O HEERE! hoe groot zijn Uw werken! zeer diep zijn Uw gedachten.

  • 21Zijn kinderen komen tot eer, en hij weet het niet; of zij worden klein, en hij let niet op hen.

  • 5Komt, eet van Mijn brood, en drinkt van den wijn, dien Ik gemengd heb.

  • 36Maar die tegen Mij zondigt, doet zijn ziel geweld aan; allen, die Mij haten, hebben den dood lief.

  • 19De weg der goddelozen is als donkerheid, zij weten niet, waarover zij struikelen zullen.

  • 11Of gij ziet de duisternis niet, en des water overvloed bedekt u.

  • Job 15:22-23
    2 verzen
    67%

    22Hij gelooft niet uit de duisternis weder te keren, maar dat hij beloerd wordt ten zwaarde.

    23Hij zwerft heen en weder om brood, waar het zijn mag; hij weet, dat bij zijn hand gereed is de dag der duisternis.

  • 23Welker graven gesteld zijn in de zijden des kuils, en haar hoop is rondom haar graf; zij zijn allen verslagen, gevallen door het zwaard, die een schrik gaven in het land der levenden.

  • 18Men zal hem stoten van het licht in de duisternis, en men zal hem van de wereld verjagen.