Spreuken 9:18
Maar hij weet niet, dat aldaar doden zijn; haar genoden zijn in de diepten der hel.
Maar hij weet niet, dat aldaar doden zijn; haar genoden zijn in de diepten der hel.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
16Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts; en tot den verstandeloze zegt zij:
17De gestolen wateren zijn zoet, en het verborgen brood is liefelijk.
18Want haar huis helt naar den dood, en haar paden naar de overledenen.
19Allen die tot haar ingaan, zullen niet wederkomen, en zullen de paden des levens niet aantreffen;
5Want de levenden weten, dat zij sterven zullen, maar de doden weten niet met al; zij hebben ook geen loon meer, maar hun gedachtenis is vergeten.
21Gewisselijk, zodanige zijn de woningen des verkeerden, en dit is de plaats desgenen die God niet kent.
27Haar huis zijn wegen des grafs, dalende naar de binnenkameren des doods.
16Een mens, die van den weg des verstands afdwaalt, zal in de gemeente der doden rusten.
14Daarom zal het graf zichzelf wijd opensperren, en zijn mond opendoen, zonder maat; opdat nederdale haar heerlijkheid, en haar menigte, met haar gedruis, en die in haar van vreugde opspringt.
5Haar voeten dalen naar den dood, haar treden houden de hel vast.
6Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt.
16In de duisternis doorgraaft hij de huizen, die zij zich des daags afgetekend hadden; zij kennen het licht niet.
17Want de morgenstond is hun te zamen de schaduw des doods; als men hen kent, zijn zij in de strikken van des doods schaduw.
18Hij is licht op het vlakke der wateren; vervloekt is hun deel op de aarde; hij wendt zich niet tot den weg der wijngaarden.
19De droogte mitsgaders de hitte nemen de sneeuwwateren weg; alzo het graf dergenen, die gezondigd hebben.
13De mens weet haar waarde niet, en zij wordt niet gevonden in het land der levenden.
14De afgrond zegt: Zij is in mij niet; en de zee zegt: Zij is niet bij mij.
18Want het graf zal U niet loven, de dood zal U niet prijzen; die in den kuil nederdalen, zullen op Uw waarheid niet hopen.
5De doden zullen geboren worden van onder de wateren, en hun inwoners.
6De hel is naakt voor Hem, en geen deksel is er voor het verderf.
19Rijk ligt hij neder, en wordt niet weggenomen; doet hij zijn ogen open, zo is hij er niet.
21Die verlangen naar den dood, maar hij is er niet; en graven daarnaar meer dan naar verborgene schatten;
17De doden zullen den HEERE niet prijzen, noch die in de stilte nedergedaald zijn.
24De weg des levens is den verstandige naar boven; opdat hij afwijke van de hel, beneden.
11De hel en het verderf zijn voor den HEERE; hoeveel te meer de harten van des mensenkinderen?
7Want hij weet niet, wat er geschieden zal; want wie zal het hem te kennen geven, wanneer het geschieden zal?
5Keer weder, HEERE, red mijn ziel; verlos mij, om Uwer goedertierenheid wil.
9De hel van onderen was beroerd om uwentwil, om u tegemoet te gaan, als gij kwaamt; zij wekt om uwentwil de doden op, al de bokken der aarde; zij doet al de koningen der heidenen van hun tronen opstaan.
5En ook dewijl hij trouwelooslijk handelt bij den wijn, een trots man is, en in zijn woning niet blijft; die zijn ziel wijd opendoet als het graf, en gelijk de dood is, die niet zat wordt, en tot zich verzamelt al de heidenen, en vergadert tot zich alle volken.
9Een wolk vergaat en vaart henen; alzo die in het graf daalt, zal niet weder opkomen.
10Hij zal niet meer wederkeren tot zijn huis, en zijn plaats zal hem niet meer kennen.
20De hel en het verderf worden niet verzadigd; alzo worden de ogen des mensen niet verzadigd.
17Zijn u de poorten des doods ontdekt, en hebt gij gezien de poorten van de schaduw des doods?
32Eindelijk wordt hij naar de graven gebracht, en is gedurig in den aardhoop.
12Laat ons hen levend verslinden, als het graf; ja, geheel en al, gelijk die in den kuil nederdalen;
6Beth. Hij heeft mij gezet in duistere plaatsen, als degenen, die over lang dood zijn.
8Zij is als de hoogten der hemelen, wat kunt gij doen? Dieper dan de hel, wat kunt gij weten?
5Ik ben gerekend met degenen, die in de kuil nederdalen; ik ben geworden als een man, die krachteloos is;
17De HEERE is bekend geworden; Hij heeft recht gedaan; de goddeloze is verstrikt in het werk zijner handen! Higgajon, Sela.
25De ander daarentegen sterft met een bittere ziel, en hij heeft van het goede niet gegeten.
6O HEERE! hoe groot zijn Uw werken! zeer diep zijn Uw gedachten.
21Zijn kinderen komen tot eer, en hij weet het niet; of zij worden klein, en hij let niet op hen.
5Komt, eet van Mijn brood, en drinkt van den wijn, dien Ik gemengd heb.
36Maar die tegen Mij zondigt, doet zijn ziel geweld aan; allen, die Mij haten, hebben den dood lief.
19De weg der goddelozen is als donkerheid, zij weten niet, waarover zij struikelen zullen.
11Of gij ziet de duisternis niet, en des water overvloed bedekt u.
22Hij gelooft niet uit de duisternis weder te keren, maar dat hij beloerd wordt ten zwaarde.
23Hij zwerft heen en weder om brood, waar het zijn mag; hij weet, dat bij zijn hand gereed is de dag der duisternis.
23Welker graven gesteld zijn in de zijden des kuils, en haar hoop is rondom haar graf; zij zijn allen verslagen, gevallen door het zwaard, die een schrik gaven in het land der levenden.
18Men zal hem stoten van het licht in de duisternis, en men zal hem van de wereld verjagen.