Spreuken 10:1
De spreuken van Salomo. Een wijs zoon verblijdt den vader; maar een zot zoon is zijner moeder droefheid.
De spreuken van Salomo. Een wijs zoon verblijdt den vader; maar een zot zoon is zijner moeder droefheid.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
20Een wijs zoon zal den vader verblijden; maar een zot mens veracht zijn moeder.
21De dwaasheid is den verstandeloze blijdschap; maar een man van verstand zal recht wandelen.
25Een zotte zoon is een verdriet voor zijn vader, en bittere droefheid voor degene, die hem gebaard heeft.
24De vader des rechtvaardigen zal zich zeer verheugen; en die een wijzen zoon gewint, zal zich over hem verblijden.
25Laat uw vader zich verblijden, ook uw moeder; en laat haar zich verheugen, die u gebaard heeft.
26Mijn zoon! geef mij uw hart, en laat uw ogen mijn wegen bewaren.
21Wie een zot genereert, die zal hem tot droefheid zijn; en de vader des dwazen zal zich niet verblijden.
11Zijt wijs, mijn zoon, en verblijd mijn hart; opdat ik mijn smader wat te antwoorden heb.
13Een zotte zoon is zijn vader grote ellende; en de kijvingen ener vrouw als een gestadig druipen.
14Huis en goed is een erve van de vaderen; maar een verstandige vrouw is van den HEERE.
15Mijn zoon! zo uw hart wijs is, mijn hart zal blijde zijn, ja, ik.
7De vrees des HEEREN is het beginsel der wetenschap; de dwazen verachten wijsheid en tucht.
8Mijn zoon! hoor de tucht uws vaders, en verlaat de leer uwer moeder niet;
17Tuchtig uw zoon, en hij zal u gerustheid aandoen, en hij zal uw ziel vermakelijkheden geven.
5Een dwaas zal de tucht zijns vaders versmaden; maar die de bestraffing waarneemt, zal kloekzinniglijk handelen.
1Een wijs zoon hoort de tucht des vaders; maar een spotter hoort de bestraffing niet.
26Wie de vader verwoest, of de moeder verjaagt, is een zoon, die beschaamd maakt, en schande aandoet.
27Laat af, mijn zoon, horende de tucht, af te dwalen van de redenen der wetenschap.
13Beter is een arm en wijs jongeling, dan een oud en zot koning, die niet weet van meer vermaand te worden.
7Die de wet bewaart, is een verstandig zoon; maar die der vraten metgezel is, beschaamt zijn vader.
2Een verstandig knecht zal heersen over een zoon, die beschaamd maakt, en in het midden der broederen zal hij erfenis delen.
15De roede, en de bestraffing geeft wijsheid; maar een kind, dat aan zichzelf gelaten is, beschaamt zijn moeder.
6De kroon de ouden zijn de kindskinderen, en der kinderen sieraad zijn hun vaderen.
5Die in den zomer vergadert, is een verstandig zoon; maar die in den oogst vast slaapt, is een zoon die beschaamd maakt.
15De dwaasheid is in het hart des jongen gebonden; de roede der tucht zal ze verre van hem wegdoen.
20Mijn zoon, bewaar het gebod uws vaders, en verlaat de wet uwer moeder niet.
18Wanneer iemand een moedwilligen en wederspannigen zoon heeft, die de stem zijns vaders en de stem zijner moeder niet gehoorzaam is; en zij hem gekastijd zullen hebben, en hij naar hen niet horen zal,
10Hoor, mijn zoon! en neem mijn redenen aan, en de jaren des levens zullen u vermenigvuldigd worden.
2Schatten der goddeloosheid doen geen nut; maar de gerechtigheid redt van den dood.
29Wie zijn huis beroert, zal wind erven; en de dwaas zal een knecht zijn desgenen, die wijs van hart is.
1Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand;
3Een man, die de wijsheid bemint, verblijdt zijn vader; maar die een metgezel der hoeren is, brengt het goed door.
12Want de HEERE kastijdt dengene, dien Hij liefheeft, ja, gelijk een vader den zoon, in denwelken hij een welbehagen heeft.
13Welgelukzalig is de mens, die wijsheid vindt, en de mens, die verstandigheid voortbrengt!
18Tuchtig uw zoon, als er nog hoop is; maar verhef uw ziel niet, om hem te doden.
1De spreuken van Salomo, den zoon van David, den koning van Israel,
22Hoor naar uw vader, die u gewonnen heeft; en veracht uw moeder niet, als zij oud geworden is.
3Want ik was mijns vaders zoon, teder, en een enige voor het aangezicht mijner moeder.
23Het is voor den zot als spel, schandelijkheid te doen; maar voor een man van verstand, wijsheid te plegen.
13Smarten ener barende vrouw zullen hem aankomen; hij is een onwijs kind; want anders zou hij geen tijd in de kindergeboorte blijven staan.
1Hoort, gij kinderen! de tucht des vaders, en merkt op, om verstand te weten.
24Die zijn roede inhoudt, haat zijn zoon; maar die hem liefheeft, zoekt hem vroeg met tuchtiging.
2Wat, o mijn zoon, en wat, o zoon mijns buiks? ja, wat, o zoon mijner geloften?
8Die wijs van hart is, neemt de geboden aan; maar die dwaas is van lippen, zal omgeworpen worden.
24Der wijzen kroon is hun rijkdom; de dwaasheid der zotten is dwaasheid.
1Elke wijze vrouw bouwt haar huis; maar die zeer dwaas is, breekt het af met haar handen.
25Bekommernis in het hart des mensen buigt het neder; maar een goed woord verblijdt het.
4Het hart der wijzen is in het klaaghuis; maar het hart der zotten in het huis der vreugde.
3In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.
6Leer den jongen de eerste beginselen naar den eis zijns wegs; als hij ook oud zal geworden zijn, zal hij daarvan niet afwijken.