Spreuken 6:20
Mijn zoon, bewaar het gebod uws vaders, en verlaat de wet uwer moeder niet.
Mijn zoon, bewaar het gebod uws vaders, en verlaat de wet uwer moeder niet.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
8Mijn zoon! hoor de tucht uws vaders, en verlaat de leer uwer moeder niet;
9Want zij zullen uw hoofd een aangenaam toevoegsel zijn, en ketenen aan uw hals.
1Mijn zoon! vergeet mijn wet niet, maar uw hart beware mijn geboden.
21Bind ze steeds aan uw hart, hecht ze aan uw hals.
22Als gij wandelt, zal dat u geleiden; als gij nederligt, zal het over u de wacht houden; als gij wakker wordt, zal hetzelve met u spreken.
22Hoor naar uw vader, die u gewonnen heeft; en veracht uw moeder niet, als zij oud geworden is.
1Mijn zoon, bewaar mijn redenen, en leg mijn geboden bij u weg.
2Bewaar mijn geboden, en leef, en mijn wet als den appel uwer ogen.
1Gij kinderen, zijt uw ouderen gehoorzaam in den Heere; want dat is recht.
2Eert uw vader en moeder (hetwelk het eerste gebod is met een belofte),
3Opdat het u welga, en dat gij lang leeft op de aarde.
4En gij vaders, verwekt uw kinderen niet tot toorn, maar voedt hen op in de lering en vermaning des Heeren.
1Hoort, gij kinderen! de tucht des vaders, en merkt op, om verstand te weten.
2Dewijl ik ulieden goede leer geve, verlaat mijn wet niet.
3Want ik was mijns vaders zoon, teder, en een enige voor het aangezicht mijner moeder.
4Hij nu leerde mij, en zeide tot mij: Uw hart houde mijn woorden vast, onderhoud mijn geboden, en leef.
5Verkrijg wijsheid, verkrijg verstand; vergeet niet, en wijk niet van de redenen mijns monds.
6Verlaat ze niet, en zij zal u behoeden; heb ze lief, en zij zal u bewaren.
6Leer den jongen de eerste beginselen naar den eis zijns wegs; als hij ook oud zal geworden zijn, zal hij daarvan niet afwijken.
26Wie de vader verwoest, of de moeder verjaagt, is een zoon, die beschaamd maakt, en schande aandoet.
27Laat af, mijn zoon, horende de tucht, af te dwalen van de redenen der wetenschap.
16Eert uw vader, en uw moeder, gelijk als de HEERE, uw God, u geboden heeft, opdat uw dagen verlengd worden, en opdat het u welga in het land, dat u de HEERE, uw God, geven zal.
12Eert uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de HEERE uw God geeft.
1Mijn zoon! zo gij mijn redenen aanneemt, en mijn geboden bij u weglegt;
26Mijn zoon! geef mij uw hart, en laat uw ogen mijn wegen bewaren.
20Een wijs zoon zal den vader verblijden; maar een zot mens veracht zijn moeder.
7Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.
20Mijn zoon! merk op mijn woorden, neig uw oor tot mijn redenen.
21Laat ze niet wijken van uw ogen, behoud ze in het midden uws harten.
18Wanneer iemand een moedwilligen en wederspannigen zoon heeft, die de stem zijns vaders en de stem zijner moeder niet gehoorzaam is; en zij hem gekastijd zullen hebben, en hij naar hen niet horen zal,
8Nu dan, mijn zoon! hoor mijn stem in hetgeen ik u gebiede.
20Wanneer uw zoon u morgen zal vragen, zeggende: Wat zijn dat voor getuigenissen, en inzettingen, en rechten, die de HEERE, onze God, ulieden geboden heeft?
21Mijn zoon! laat ze niet afwijken van uw ogen; bewaar de bestendige wijsheid en bedachtzaamheid.
19Eer uw vader en moeder; en: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven.
11Daar is een geslacht, dat zijn vader vervloekt, en zijn moeder niet zegent;
15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.
1Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand;
20Wie zijn vader of zijn moeder vloekt, diens lamp zal uitgeblust worden in zwarte duisternis.
24Om u te bewaren voor de kwade vrouw, voor het gevlei der vreemde tong.
4Want God heeft geboden, zeggende: Eert uwen vader en moeder, en: Wie vader of moeder vloekt, die zal de dood sterven.
16Vervloekt zij, die zijn vader of zijn moeder veracht! En al het volk zal zeggen: Amen.
2Wat, o mijn zoon, en wat, o zoon mijns buiks? ja, wat, o zoon mijner geloften?
20En waarom zoudt gij, mijn zoon, in een vreemde dolen, en den schoot der onbekende omvangen?
1De spreuken van Salomo. Een wijs zoon verblijdt den vader; maar een zot zoon is zijner moeder droefheid.
7En gij zult ze uw kinderen inscherpen, en daarvan spreken, als gij in uw huis zit, en als gij op den weg gaat, en als gij nederligt, en als gij opstaat.
17Gij zult de geboden des HEEREN, uws Gods, vlijtig houden, mitsgaders Zijn getuigenissen, en Zijn inzettingen, die Hij u geboden heeft.
2Opdat gij den HEERE, uw God, vrezet, om te houden al Zijn inzettingen, en Zijn geboden, die ik u gebiede; gij, en uw kind, en kindskind, al de dagen uws levens; en opdat uw dagen verlengd worden.
19Een vals getuige, die leugenen blaast; en die tussen broederen krakelen inwerpt.
18Tuchtig uw zoon, als er nog hoop is; maar verhef uw ziel niet, om hem te doden.