Spreuken 4:20
Mijn zoon! merk op mijn woorden, neig uw oor tot mijn redenen.
Mijn zoon! merk op mijn woorden, neig uw oor tot mijn redenen.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand;
2Opdat gij alle bedachtzaamheid behoudt, en uw lippen wetenschap bewaren.
1Mijn zoon! zo gij mijn redenen aanneemt, en mijn geboden bij u weglegt;
2Om uw oren naar wijsheid te doen opmerken; zo gij uw hart tot verstandigheid neigt;
10Hoor, mijn zoon! en neem mijn redenen aan, en de jaren des levens zullen u vermenigvuldigd worden.
11Ik onderwijs u in den weg der wijsheid; ik doe u treden in de rechte sporen.
24Nu dan, kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen mijns monds.
25Laat uw hart tot haar wegen niet wijken, dwaalt niet op haar paden.
1Hoort, gij kinderen! de tucht des vaders, en merkt op, om verstand te weten.
2Dewijl ik ulieden goede leer geve, verlaat mijn wet niet.
21Laat ze niet wijken van uw ogen, behoud ze in het midden uws harten.
1Mijn zoon, bewaar mijn redenen, en leg mijn geboden bij u weg.
26Mijn zoon! geef mij uw hart, en laat uw ogen mijn wegen bewaren.
17Neig uw oor, en hoor de woorden der wijzen, en stel uw hart tot mijn wetenschap;
18Want het is liefelijk, als gij die in uw binnenste bewaart; zij zullen samen op uw lippen gepast worden.
7Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.
19Hoor gij, mijn zoon! en word wijs, en richt uw hart op den weg.
12Begeef uw hart tot de tucht, en uw oren tot de redenen der wetenschap.
32Nu dan, kinderen! hoort naar Mij; want welgelukzalig zijn zij, die Mijn wegen bewaren.
33Hoort de tucht, en wordt wijs, en verwerpt die niet.
8Mijn zoon! hoor de tucht uws vaders, en verlaat de leer uwer moeder niet;
1Mijn zoon! vergeet mijn wet niet, maar uw hart beware mijn geboden.
4Hij nu leerde mij, en zeide tot mij: Uw hart houde mijn woorden vast, onderhoud mijn geboden, en leef.
5Verkrijg wijsheid, verkrijg verstand; vergeet niet, en wijk niet van de redenen mijns monds.
21Mijn zoon! laat ze niet afwijken van uw ogen; bewaar de bestendige wijsheid en bedachtzaamheid.
1Een onderwijzing van Asaf. O mijn volk! neem mijn leer ter oren; neigt ulieder oor tot de redenen mijns monds.
15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.
27Laat af, mijn zoon, horende de tucht, af te dwalen van de redenen der wetenschap.
20Mijn zoon, bewaar het gebod uws vaders, en verlaat de wet uwer moeder niet.
21Bind ze steeds aan uw hart, hecht ze aan uw hals.
10Mijn zoon! indien de zondaars u aanlokken, bewillig niet;
8Nu dan, mijn zoon! hoor mijn stem in hetgeen ik u gebiede.
10Verder zeide Hij tot mij: Mensenkind, vat al Mijn woorden, die Ik tot u spreken zal, in uw hart, en hoor ze met uw oren.
16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.
23Neemt ter ore en hoort mijn stem, merkt op en hoort mijn rede!
17Hoort naarstiglijk mijn rede, en mijn aanwijzing met uw oren.
6Leer den jongen de eerste beginselen naar den eis zijns wegs; als hij ook oud zal geworden zijn, zal hij daarvan niet afwijken.
25Laat uw ogen rechtuit zien, en uw oogleden zich recht voor u heen houden.
26Weeg den gang uws voets, en laat al uw wegen wel gevestigd zijn.
4Mijn mond zal enkel wijsheid spreken, en de overdenking mijns harten zal vol verstand zijn.
19De weg der goddelozen is als donkerheid, zij weten niet, waarover zij struikelen zullen.
22Ontvang toch de wet uit Zijn mond, en leg Zijn redenen in uw hart.
5Die wijs is, zal horen, en zal in lere toenemen; en die verstandig is, zal wijzen raad bekomen.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Nechiloth.
15Mijn zoon! zo uw hart wijs is, mijn hart zal blijde zijn, ja, ik.
11Zijt wijs, mijn zoon, en verblijd mijn hart; opdat ik mijn smader wat te antwoorden heb.
23Keert u tot Mijn bestraffing; ziet, Ik zal Mijn Geest ulieden overvloediglijk uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekend maken.
22Hoor naar uw vader, die u gewonnen heeft; en veracht uw moeder niet, als zij oud geworden is.
1Een wijs zoon hoort de tucht des vaders; maar een spotter hoort de bestraffing niet.