Spreuken 1:5
Die wijs is, zal horen, en zal in lere toenemen; en die verstandig is, zal wijzen raad bekomen.
Die wijs is, zal horen, en zal in lere toenemen; en die verstandig is, zal wijzen raad bekomen.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
6Om te verstaan een spreuk en de uitlegging, de woorden der wijzen en hun raadselen.
7De vrees des HEEREN is het beginsel der wetenschap; de dwazen verachten wijsheid en tucht.
2Om wijsheid en tucht te weten; om te verstaan redenen des verstands;
3Om aan te nemen onderwijs van goed verstand, gerechtigheid, en recht, en billijkheden;
4Om den slechten kloekzinnigheid te geven, den jongeling wetenschap en bedachtzaamheid.
9Leer den wijze, zo zal hij nog wijzer worden; onderwijs den rechtvaardige, zo zal hij in leer toenemen.
10De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid, en de wetenschap der heiligen is verstand.
15Het hart der verstandigen bekomt wetenschap, en het oor der wijzen zoekt wetenschap.
1Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand;
5Een wijs man is sterk; en een man van wetenschap maakt de kracht vast.
1Mijn zoon! zo gij mijn redenen aanneemt, en mijn geboden bij u weglegt;
2Om uw oren naar wijsheid te doen opmerken; zo gij uw hart tot verstandigheid neigt;
3Ja, zo gij tot het verstand roept, uw stem verheft tot de verstandigheid;
21De wijze van hart zal verstandig genoemd worden; en de zoetheid der lippen zal de lering vermeerderen.
22Het verstand dergenen, die het bezitten, is een springader des levens; maar de tucht der dwazen is dwaasheid.
23Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.
5Gij slechten! verstaat kloekzinnigheid, en gij zotten! verstaat met het hart.
13Welgelukzalig is de mens, die wijsheid vindt, en de mens, die verstandigheid voortbrengt!
20Hoor raad, en ontvang tucht, opdat gij in uw laatste wijs zijt.
31Het oor, dat de bestraffing des levens hoort, zal in het midden der wijzen vernachten.
32Die de tucht verwerpt, die versmaadt zijn ziel; maar die de bestraffing hoort, krijgt verstand.
17Neig uw oor, en hoor de woorden der wijzen, en stel uw hart tot mijn wetenschap;
5Het is beter te horen het bestraffen des wijzen, dan dat iemand hore het gezang der dwazen.
33Hoort de tucht, en wordt wijs, en verwerpt die niet.
5Dan zult gij de vreze des HEEREN verstaan, en zult de kennis van God vinden.
6Want de HEERE geeft wijsheid; uit Zijn mond komt kennis en verstand.
10Als de wijsheid in uw hart zal gekomen zijn, en de wetenschap voor uw ziel zal liefelijk zijn;
11Zo zal de bedachtzaamheid over u de wacht houden, de verstandigheid zal u behoeden;
7De wijsheid is het voornaamste; verkrijg dan wijsheid, en verkrijg verstand met al uw bezitting.
2Hoort, gij wijzen, mijn woorden, en gij verstandigen, neigt de oren naar mij.
15De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.
14De wijzen leggen wetenschap weg; maar den mond des dwazen is de verstoring nabij.
8Die verstand bekomt, heeft zijn ziel lief; hij neemt de verstandigheid waar, om het goede te vinden.
8De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij.
18Want in veel wijsheid is veel verdriet; en die wetenschap vermeerdert, vermeerdert smart.
12In de stokouden is de wijsheid, en in de langheid der dagen het verstand.
5De raad in het hart eens mans is als diepe wateren; maar een man van verstand zal dien uithalen.
10Hoor, mijn zoon! en neem mijn redenen aan, en de jaren des levens zullen u vermenigvuldigd worden.
34De lieden van verstand zullen met mij zeggen, en een wijs man zal naar mij horen;
17De woorden der wijzen moeten in stilheid aangehoord worden, meer dan het geroep desgenen, die over de zotten heerst.
14Een verstandig hart zal de wetenschap opzoeken; maar de mond der zotten zal met dwaasheid gevoed worden.
5Een dwaas zal de tucht zijns vaders versmaden; maar die de bestraffing waarneemt, zal kloekzinniglijk handelen.
19De wijsheid versterkt den wijze meer dan tien heerschappers, die in een stad zijn.
5Verkrijg wijsheid, verkrijg verstand; vergeet niet, en wijk niet van de redenen mijns monds.
15De slechte gelooft alle woord; maar de kloekzinnige merkt op zijn gang.
18De slechten erven dwaasheid; maar de kloekzinnigen zullen zich met wetenschap kronen.
8Die wijs van hart is, neemt de geboden aan; maar die dwaas is van lippen, zal omgeworpen worden.
21De dwaasheid is den verstandeloze blijdschap; maar een man van verstand zal recht wandelen.
28Maar tot den mens heeft Hij gezegd: Zie, de vreze des HEEREN is de wijsheid, en van het kwade te wijken is het verstand.
12Begeef uw hart tot de tucht, en uw oren tot de redenen der wetenschap.