Prediker 9:17
De woorden der wijzen moeten in stilheid aangehoord worden, meer dan het geroep desgenen, die over de zotten heerst.
De woorden der wijzen moeten in stilheid aangehoord worden, meer dan het geroep desgenen, die over de zotten heerst.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
15En men vond daar een armen wijzen man in, die de stad verloste door zijn wijsheid; maar geen mens gedacht denzelven armen man.
16Toen zeide ik: Wijsheid is beter dan kracht, hoewel de wijsheid des armen veracht, en zijn woorden niet waren gehoord geweest.
4Het hart der wijzen is in het klaaghuis; maar het hart der zotten in het huis der vreugde.
5Het is beter te horen het bestraffen des wijzen, dan dat iemand hore het gezang der dwazen.
6Want gelijk het geluid der doornen onder een pot is, alzo is het lachen eens zots. Dit is ook ijdelheid.
11Een zot laat zijn gansen geest uit, maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts.
27Wie wetenschap weet, houdt zijn woorden in; en een man van verstand is kostelijk van geest.
28Een dwaas zelfs, die zwijgt, zal wijs geacht worden, en die zijn lippen toesluit, verstandig.
18De wijsheid is beter dan de krijgswapenen, maar een enig zondaar verderft veel goeds.
9Spreek niet voor het oor van een zot, want hij zou het verstand uwer woorden verachten.
33Wijsheid rust in het hart des verstandigen; maar wat in het binnenste der zotten is, wordt bekend.
13Beter is een arm en wijs jongeling, dan een oud en zot koning, die niet weet van meer vermaand te worden.
23Een kloekzinnig mens bedekt de wetenschap; maar het hart der zotten roept dwaasheid uit.
19De wijsheid versterkt den wijze meer dan tien heerschappers, die in een stad zijn.
9Een wijs man, met een dwaas man in rechten zich begeven hebbende, hetzij dat hij beroerd is of lacht, zo is er toch geen rust.
24Der wijzen kroon is hun rijkdom; de dwaasheid der zotten is dwaasheid.
14De wijzen leggen wetenschap weg; maar den mond des dwazen is de verstoring nabij.
10De weelde staat een zot niet wel; hoeveel te min een knecht te heersen over vorsten!
7Alle wijsheid is voor den dwaze te hoog; hij zal in de poort zijn mond niet opendoen.
8Die wijs van hart is, neemt de geboden aan; maar die dwaas is van lippen, zal omgeworpen worden.
5Die wijs is, zal horen, en zal in lere toenemen; en die verstandig is, zal wijzen raad bekomen.
20Hebt gij een man gezien, die haastig in zijn woorden is? Van een zot is meer verwachting dan van hem.
15De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.
16De toorn des dwazen wordt ten zelven dage bekend; maar die kloekzinnig is, bedekt de schande.
10De bestraffing gaat dieper in den verstandige, dan den zot honderd maal te slaan.
2De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.
7Ga weg van de tegenwoordigheid eens zotten mans; want gij zoudt bij hem geen lippen der wetenschap merken.
8De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij.
12De woorden van een wijzen mond zijn aangenaam; maar de lippen van een zot verslinden hemzelve.
24In het aangezicht des verstandigen is wijsheid; maar de ogen des zots zijn in het einde der aarde.
16Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap; maar een zot breidt dwaasheid uit.
19In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig.
1De arme, in zijn oprechtheid wandelende, is beter dan de verkeerde van lippen, en die een zot is.
9Zijt niet haastig in uw geest om te toornen; want de toorn rust in den boezem der dwazen.
13Toen zag ik, dat de wijsheid uitnemendheid heeft boven de dwaasheid, gelijk het licht uitnemendheid heeft boven de duisternis.
14De ogen des wijzen zijn in zijn hoofd, maar de zot wandelt in de duisternis. Toen bemerkte ik ook, dat enerlei geval hun allen bejegent.
3In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.
15Het hart der verstandigen bekomt wetenschap, en het oor der wijzen zoekt wetenschap.
7De lippen der wijzen zullen de wetenschap uitstrooien; maar het hart der zotten niet alzo.
3Het is eer voor een man, van twist af te blijven; maar ieder dwaas zal er zich in mengen.
14Een verstandig hart zal de wetenschap opzoeken; maar de mond der zotten zal met dwaasheid gevoed worden.
29De lankmoedige is groot van verstand; maar die haastig is van gemoed, verheft de dwaasheid.
2Hoort, gij wijzen, mijn woorden, en gij verstandigen, neigt de oren naar mij.
16Want er zal in eeuwigheid niet meer gedachtenis van een wijze, dan van een dwaas zijn; aangezien hetgeen nu is, in de toekomende dagen altemaal vergeten wordt; en hoe sterft de wijze met den zot?
17Neig uw oor, en hoor de woorden der wijzen, en stel uw hart tot mijn wetenschap;
7Een voortreffelijke lip past een dwaze niet, veelmin een prins een leugenachtige lip.
14De grimmigheid des konings is als de boden des doods; maar een wijs man zal die verzoenen.
6Een hand vol met rust is beter, dan beide de vuisten vol met arbeid en kwelling des geestes.
16De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot is oplopende toornig, en zorgeloos.
22Het verstand dergenen, die het bezitten, is een springader des levens; maar de tucht der dwazen is dwaasheid.