Spreuken 15:14
Een verstandig hart zal de wetenschap opzoeken; maar de mond der zotten zal met dwaasheid gevoed worden.
Een verstandig hart zal de wetenschap opzoeken; maar de mond der zotten zal met dwaasheid gevoed worden.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
2De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.
7De lippen der wijzen zullen de wetenschap uitstrooien; maar het hart der zotten niet alzo.
21De wijze van hart zal verstandig genoemd worden; en de zoetheid der lippen zal de lering vermeerderen.
22Het verstand dergenen, die het bezitten, is een springader des levens; maar de tucht der dwazen is dwaasheid.
23Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.
2De zot heeft geen lust aan verstandigheid, maar daarin, dat zijn hart zich ontdekt.
13In de lippen des verstandigen wordt wijsheid gevonden; maar op den rug des verstandelozen de roede.
14De wijzen leggen wetenschap weg; maar den mond des dwazen is de verstoring nabij.
23Een kloekzinnig mens bedekt de wetenschap; maar het hart der zotten roept dwaasheid uit.
33Wijsheid rust in het hart des verstandigen; maar wat in het binnenste der zotten is, wordt bekend.
15Het hart der verstandigen bekomt wetenschap, en het oor der wijzen zoekt wetenschap.
6De spotter zoekt wijsheid, en er is gene; maar de wetenschap is voor den verstandige licht.
7Ga weg van de tegenwoordigheid eens zotten mans; want gij zoudt bij hem geen lippen der wetenschap merken.
8De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij.
21De lippen des rechtvaardigen voeden er velen; maar de dwazen sterven door gebrek van verstand.
16Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap; maar een zot breidt dwaasheid uit.
3In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.
4Het hart der wijzen is in het klaaghuis; maar het hart der zotten in het huis der vreugde.
5Het is beter te horen het bestraffen des wijzen, dan dat iemand hore het gezang der dwazen.
12De woorden van een wijzen mond zijn aangenaam; maar de lippen van een zot verslinden hemzelve.
13Het begin der woorden zijns monds is dwaasheid, en het einde zijns monds is boze dolligheid.
5Gij slechten! verstaat kloekzinnigheid, en gij zotten! verstaat met het hart.
21De dwaasheid is den verstandeloze blijdschap; maar een man van verstand zal recht wandelen.
24Der wijzen kroon is hun rijkdom; de dwaasheid der zotten is dwaasheid.
24In het aangezicht des verstandigen is wijsheid; maar de ogen des zots zijn in het einde der aarde.
15De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.
8Die wijs van hart is, neemt de geboden aan; maar die dwaas is van lippen, zal omgeworpen worden.
11Een zot laat zijn gansen geest uit, maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts.
16Waarom toch zou in de hand des zots het koopgeld zijn, om wijsheid te kopen, dewijl hij geen verstand heeft?
23Het is voor den zot als spel, schandelijkheid te doen; maar voor een man van verstand, wijsheid te plegen.
3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.
5Een dwaas zal de tucht zijns vaders versmaden; maar die de bestraffing waarneemt, zal kloekzinniglijk handelen.
9Spreek niet voor het oor van een zot, want hij zou het verstand uwer woorden verachten.
7Alle wijsheid is voor den dwaze te hoog; hij zal in de poort zijn mond niet opendoen.
18De slechten erven dwaasheid; maar de kloekzinnigen zullen zich met wetenschap kronen.
27Wie wetenschap weet, houdt zijn woorden in; en een man van verstand is kostelijk van geest.
28Een dwaas zelfs, die zwijgt, zal wijs geacht worden, en die zijn lippen toesluit, verstandig.
6De lippen des zots komen in twist, en zijn mond roept naar slagen.
7De mond des zots is hemzelven een verstoring, en zijn lippen een strik zijner ziel.
15De slechte gelooft alle woord; maar de kloekzinnige merkt op zijn gang.
16De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot is oplopende toornig, en zorgeloos.
25Ik keerde mij om, en mijn hart, om te weten, en om na te sporen, en te zoeken wijsheid en een sluitrede; en om te weten de goddeloosheid der zotheid, en de dwaasheid der onzinnigheden.
1De arme, in zijn oprechtheid wandelende, is beter dan de verkeerde van lippen, en die een zot is.
13Een vrolijk hart zal het aangezicht blijde maken; maar door de smart des harten wordt de geest verslagen.
5Antwoord den zot naar zijn dwaasheid, opdat hij in zijn ogen niet wijs zij.
6Verlaat de slechtigheden, en leeft; en treedt in den weg des verstands.
5Die wijs is, zal horen, en zal in lere toenemen; en die verstandig is, zal wijzen raad bekomen.
7De vrees des HEEREN is het beginsel der wetenschap; de dwazen verachten wijsheid en tucht.
6Want de HEERE geeft wijsheid; uit Zijn mond komt kennis en verstand.