Spreuken 10:21
De lippen des rechtvaardigen voeden er velen; maar de dwazen sterven door gebrek van verstand.
De lippen des rechtvaardigen voeden er velen; maar de dwazen sterven door gebrek van verstand.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
7De lippen der wijzen zullen de wetenschap uitstrooien; maar het hart der zotten niet alzo.
12De woorden van een wijzen mond zijn aangenaam; maar de lippen van een zot verslinden hemzelve.
13Het begin der woorden zijns monds is dwaasheid, en het einde zijns monds is boze dolligheid.
14Een verstandig hart zal de wetenschap opzoeken; maar de mond der zotten zal met dwaasheid gevoed worden.
2De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.
13In de lippen des verstandigen wordt wijsheid gevonden; maar op den rug des verstandelozen de roede.
14De wijzen leggen wetenschap weg; maar den mond des dwazen is de verstoring nabij.
3In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.
31De mond des rechtvaardigen brengt overvloediglijk wijsheid voort; maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden.
32De lippen des rechtvaardigen weten wat welgevallig is; maar de mond der goddelozen enkel verkeerdheid.
21De wijze van hart zal verstandig genoemd worden; en de zoetheid der lippen zal de lering vermeerderen.
22Het verstand dergenen, die het bezitten, is een springader des levens; maar de tucht der dwazen is dwaasheid.
23Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.
19In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig.
20De tong des rechtvaardigen is uitgelezen zilver; het hart der goddelozen is weinig waard.
30Pe. De mond des rechtvaardigen vermeldt wijsheid, en zijn tong spreekt het recht.
10Die met het oog wenkt, richt smart aan; en een dwaas van lippen zal omgeworpen worden.
11De mond des rechtvaardigen is een springader des levens; maar het geweld bedekt den mond der goddelozen.
23In allen smartelijke arbeid is overschot; maar het woord der lippen strekt alleen tot gebrek.
24Der wijzen kroon is hun rijkdom; de dwaasheid der zotten is dwaasheid.
6De lippen des zots komen in twist, en zijn mond roept naar slagen.
7De mond des zots is hemzelven een verstoring, en zijn lippen een strik zijner ziel.
23Een kloekzinnig mens bedekt de wetenschap; maar het hart der zotten roept dwaasheid uit.
8Die wijs van hart is, neemt de geboden aan; maar die dwaas is van lippen, zal omgeworpen worden.
33Wijsheid rust in het hart des verstandigen; maar wat in het binnenste der zotten is, wordt bekend.
1De arme, in zijn oprechtheid wandelende, is beter dan de verkeerde van lippen, en die een zot is.
9Spreek niet voor het oor van een zot, want hij zou het verstand uwer woorden verachten.
7Ga weg van de tegenwoordigheid eens zotten mans; want gij zoudt bij hem geen lippen der wetenschap merken.
8De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij.
7Alle wijsheid is voor den dwaze te hoog; hij zal in de poort zijn mond niet opendoen.
15Goud is er, en menigte van robijnen; maar de lippen de wetenschap zijn een kostelijk kleinood.
20In des wijzen woning is een gewenste schat, en olie; maar een zot mens verslindt zulks.
15De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.
16Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap; maar een zot breidt dwaasheid uit.
20Van de vrucht van ieders mond zal zijn buik verzadigd worden; hij zal verzadigd worden van de inkomst zijner lippen.
21Dood en leven zijn in het geweld der tong; en een ieder, die ze liefheeft, zal haar vrucht eten.
11Een zot laat zijn gansen geest uit, maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts.
30De vrucht des rechtvaardigen is een boom des levens; en wie zielen vangt, is wijs.
24In het aangezicht des verstandigen is wijsheid; maar de ogen des zots zijn in het einde der aarde.
22De zegen des HEEREN, die maakt rijk; en Hij voegt er geen smart bij.
23Het is voor den zot als spel, schandelijkheid te doen; maar voor een man van verstand, wijsheid te plegen.
16Waarom toch zou in de hand des zots het koopgeld zijn, om wijsheid te kopen, dewijl hij geen verstand heeft?
32Want de afkering der slechten zal hen doden, en de voorspoed der zotten zal hen verderven.
13De lippen der gerechtigheid zijn het welgevallen der koningen; en elkeen van hen zal liefhebben dien, die rechte dingen spreekt.
2Een ieder zal van de vrucht des monds het goede eten; maar de ziel der trouwelozen het geweld.
3Die zijn mond bewaart, behoudt zijn ziel; maar voor hem is verstoring, die zijn lippen wijd opendoet.
21De dwaasheid is den verstandeloze blijdschap; maar een man van verstand zal recht wandelen.
2Schatten der goddeloosheid doen geen nut; maar de gerechtigheid redt van den dood.
28Een dwaas zelfs, die zwijgt, zal wijs geacht worden, en die zijn lippen toesluit, verstandig.
25De rechtvaardige eet tot verzadiging zijner ziel toe; maar de buik der goddelozen zal gebrek hebben.