Spreuken 10:20
De tong des rechtvaardigen is uitgelezen zilver; het hart der goddelozen is weinig waard.
De tong des rechtvaardigen is uitgelezen zilver; het hart der goddelozen is weinig waard.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
31De mond des rechtvaardigen brengt overvloediglijk wijsheid voort; maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden.
32De lippen des rechtvaardigen weten wat welgevallig is; maar de mond der goddelozen enkel verkeerdheid.
30Pe. De mond des rechtvaardigen vermeldt wijsheid, en zijn tong spreekt het recht.
21De lippen des rechtvaardigen voeden er velen; maar de dwazen sterven door gebrek van verstand.
11De mond des rechtvaardigen is een springader des levens; maar het geweld bedekt den mond der goddelozen.
28Het hart des rechtvaardigen bedenkt zich, om te antwoorden; maar de mond der goddelozen zal overvloediglijk kwade dingen uitstorten.
19In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig.
2De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.
16Teth. Het weinige, dat de rechtvaardige heeft, is beter dan de overvloed veler goddelozen.
6In het huis des rechtvaardigen is een grote schat; maar in des goddelozen inkomst is beroerte.
7De lippen der wijzen zullen de wetenschap uitstrooien; maar het hart der zotten niet alzo.
23Brandende lippen, en een boos hart, zijn als een potscherf met schuim van zilver overtogen.
4De medicijn der tong is een boom des levens; maar de verkeerdheid in dezelve is een breuk in den geest.
3De smeltkroes is voor het zilver, en de oven voor het goud; maar de HEERE proeft de harten.
4De boosdoener merkt op de ongerechtige lip; een leugenaar neigt het oor tot de verkeerde tong.
20Wie verdraaid is van hart, zal het goede niet vinden; en die verkeerd is met zijn tong, zal in het kwaad vallen.
18Daar is een, die woorden als steken van een zwaard onbedachtelijk uitspreekt; maar de tong der wijzen is medicijn.
23Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.
5Der rechtvaardigen gedachten zijn recht; der goddelozen raadslagen zijn bedrog.
6De woorden der goddelozen zijn om op bloed te loeren; maar de mond der oprechten zal ze redden.
6Zegeningen zijn op het hoofd des rechtvaardigen; maar het geweld bedekt den mond der goddelozen.
7Zijn mond is vol van vloek, en bedriegerijen, en list; onder zijn tong is moeite en ongerechtigheid.
13In de overtreding der lippen is de strik des bozen; maar de rechtvaardige zal uit de benauwdheid uitkomen.
11Een rede, op zijn pas gesproken, is als gouden appelen in zilveren gebeelde schalen.
6Hoort, want ik zal vorstelijke dingen spreken, en de opening Mijner lippen zal enkel billijkheid zijn.
7Want Mijn gehemelte zal de waarheid bedachtelijk uitspreken, en de goddeloosheid is Mijn lippen een gruwel.
10Waarzegging is op de lippen des konings; zijn mond zal niet overtreden in het gericht.
5Want uw mond leert uw ongerechtigheid, en gij hebt de tong der arglistigen verkoren.
3In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.
15Goud is er, en menigte van robijnen; maar de lippen de wetenschap zijn een kostelijk kleinood.
13De lippen der gerechtigheid zijn het welgevallen der koningen; en elkeen van hen zal liefhebben dien, die rechte dingen spreekt.
5Alzo is ook de tong een klein lid, en roemt nochtans grote dingen. Ziet, een klein vuur, hoe groten hoop houts het aansteekt.
2Schatten der goddeloosheid doen geen nut; maar de gerechtigheid redt van den dood.
4De woorden van den mond eens mans zijn diepe wateren; en de springader der wijsheid is een uitstortende beek.
23De begeerte der rechtvaardigen is alleenlijk het goede; maar de verwachting der goddelozen is verbolgenheid.
23Die zijn mond en zijn tong bewaart, bewaart zijn ziel van benauwdheden.
8Beter is een weinig met gerechtigheid, dan de veelheid der inkomsten zonder recht.
1De arme, in zijn oprechtheid wandelende, is beter dan de verkeerde van lippen, en die een zot is.
13Mem. Wie is de man, die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft, om het goede te zien?
12De woorden van een wijzen mond zijn aangenaam; maar de lippen van een zot verslinden hemzelve.
2Een ieder zal van de vrucht des monds het goede eten; maar de ziel der trouwelozen het geweld.
18HEERE! laat mij niet beschaamd worden, want ik roep U aan; laat de goddelozen beschaamd worden, laat hen zwijgen in het graf.
6Te arbeiden om schatten met een valse tong, is een voortgedrevene ijdelheid dergenen, die den dood zoeken.
7De verwoesting der goddelozen zal hen doorsnijden, omdat zij weigeren recht te doen.
14De wijzen leggen wetenschap weg; maar den mond des dwazen is de verstoring nabij.
19Uw mond slaat gij in het kwade, en uw tong koppelt bedrog.
21De wijze van hart zal verstandig genoemd worden; en de zoetheid der lippen zal de lering vermeerderen.
14Een verstandig hart zal de wetenschap opzoeken; maar de mond der zotten zal met dwaasheid gevoed worden.
16En mijn nieren zullen van vreugde opspringen, als uw lippen billijkheden spreken zullen.
12Indien het kwaad in zijn mond zoet is, hij dat verbergt, onder zijn tong,