Spreuken 12:5

Statenvertaling (States Bible)

Der rechtvaardigen gedachten zijn recht; der goddelozen raadslagen zijn bedrog.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 12:2-3 : 2 Behoud, o HEERE; want de goedertierene ontbreekt, want de getrouwen zijn weinig geworden onder de mensenkinderen. 3 Zij spreken valsheid, een ieder met zijn naaste, met vleiende lippen; zij spreken met een dubbel hart.
  • Ps 36:2-4 : 2 De overtreding des goddelozen spreekt in het binnenste van mijn hart: Er is geen vreze Gods voor zijn ogen. 3 Want hij vleit zichzelven in zijn ogen, als men zijn ongerechtigheid bevindt, die te haten is. 4 De woorden zijns monds zijn onrecht en bedrog; hij laat na te verstaan tot weldoen.
  • Ps 41:6-7 : 6 Mijn vijanden spreken kwaad van mij, zeggende: Wanneer zal hij sterven, en zijn naam vergaan? 7 En zo iemand van hen komt, om mij te zien, hij spreekt valsheid; zijn hart vergadert zich onrecht; gaat hij uit naar buiten, hij spreekt er van.
  • Ps 119:15 : 15 Ik zal Uw bevelen overdenken, en op Uw paden letten.
  • Ps 139:23 : 23 Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten.
  • Ps 140:1-3 : 1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester. 2 Red mij, HEERE! van den kwaden mens; behoed mij voor den man alles gewelds; 3 Die veel kwaads in het hart denken, allen dag samenkomen om te oorlogen.
  • Spr 11:23 : 23 De begeerte der rechtvaardigen is alleenlijk het goede; maar de verwachting der goddelozen is verbolgenheid.
  • Spr 24:9 : 9 De gedachte der dwaasheid is zonde; en een spotter is den mens een gruwel.
  • Jes 55:7 : 7 De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot den HEERE, zo zal Hij Zich Zijner ontfermen, en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk.
  • Jer 4:14 : 14 Was uw hart van boosheid, o Jeruzalem! opdat gij behouden wordt; hoe lang zult gij de gedachten uwer ijdelheid in het binnenste van u laten vernachten?
  • Matt 2:3-8 : 3 De koning Herodes nu, dit gehoord hebbende, werd ontroerd, en geheel Jeruzalem, met hem. 4 En bijeenvergaderd hebbende al de overpriesters en Schriftgeleerden des volks, vraagde van hen, waar de Christus zou geboren worden. 5 En zij zeiden tot hem: Te Bethlehem, in Judea gelegen; want alzo is geschreven door den profeet: 6 En gij Bethlehem, gij land Juda! zijt geenszins de minste onder de vorsten van Juda; want uit u zal de Leidsman voortkomen, Die Mijn volk Israel weiden zal. 7 Toen heeft Herodes de wijzen heimelijk geroepen, en vernam naarstiglijk van hen den tijd, wanneer de ster verschenen was; 8 En hen naar Bethlehem zendende, zeide: Reist heen, en onderzoekt naarstiglijk naar dat Kindeken, en als gij Het zult gevonden hebben, boodschapt het mij, opdat ik ook kome en Datzelve aanbidde.
  • Matt 2:16 : 16 Als Herodes zag, dat hij van de wijzen bedrogen was, toen werd hij zeer toornig, en enigen afgezonden hebbende, heeft omgebracht al de kinderen, die binnen Bethlehem, en in al deszelfs landpalen waren, van twee jaren oud en daaronder, naar den tijd, dien hij van de wijzen naarstiglijk onderzocht had.
  • Matt 26:4 : 4 En zij beraadslaagden te zamen, dat zij Jezus met listigheid vangen en doden zouden.
  • 1 Kor 4:5 : 5 Zo dan oordeelt niets voor den tijd, totdat de Heere zal gekomen zijn, Welke ook in het licht zal brengen, hetgeen in de duisternis verborgen is, en openbaren de raadslagen der harten; en alsdan zal een iegelijk lof hebben van God.
  • 2 Kor 4:2 : 2 Maar wij hebben verworpen de bedekselen der schande, niet wandelende in arglistigheid, noch het Woord Gods vervalsende, maar door openbaring der waarheid onszelven aangenaam makende bij alle gewetens der mensen, in de tegenwoordigheid Gods.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Spr 12:6-7
    2 verzen
    79%

    6De woorden der goddelozen zijn om op bloed te loeren; maar de mond der oprechten zal ze redden.

    7De goddelozen worden omgekeerd, dat zij niet meer zijn; maar het huis der rechtvaardigen zal bestaan.

  • Spr 12:20-21
    2 verzen
    79%

    20Bedrog is in het hart dergenen, die kwaad smeden; maar degenen die vrede raden, hebben blijdschap.

    21Den rechtvaardigen zal geen leed wedervaren; maar de goddelozen zullen met kwaad vervuld worden.

  • 26De rechtvaardige is voortreffelijker dan zijn naaste; maar de weg der goddelozen doet hen dwalen.

  • 12De rechtvaardige let verstandelijk op des goddelozen huis, als God de goddelozen in het kwaad stort.

  • Spr 12:12-13
    2 verzen
    77%

    12De goddeloze begeert het net der bozen; maar de wortel der rechtvaardigen zal uitgeven.

    13In de overtreding der lippen is de strik des bozen; maar de rechtvaardige zal uit de benauwdheid uitkomen.

  • 28Het hart des rechtvaardigen bedenkt zich, om te antwoorden; maar de mond der goddelozen zal overvloediglijk kwade dingen uitstorten.

  • 23De begeerte der rechtvaardigen is alleenlijk het goede; maar de verwachting der goddelozen is verbolgenheid.

  • 26Des bozen gedachten zijn den HEERE een gruwel; maar der reinen zijn liefelijke redenen.

  • Spr 11:5-6
    2 verzen
    75%

    5De gerechtigheid des oprechten maakt zijn weg recht; maar de goddeloze valt door zijn goddeloosheid.

    6De gerechtigheid der vromen zal hen redden; maar de trouwelozen worden gevangen in hun verkeerdheid.

  • 32Tsade. De goddeloze loert op den rechtvaardige, en zoekt hem te doden.

  • Spr 10:31-32
    2 verzen
    74%

    31De mond des rechtvaardigen brengt overvloediglijk wijsheid voort; maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden.

    32De lippen des rechtvaardigen weten wat welgevallig is; maar de mond der goddelozen enkel verkeerdheid.

  • Spr 13:5-6
    2 verzen
    74%

    5De rechtvaardige haat leugentaal; maar de goddeloze maakt zich stinkende, en doet zich schaamte aan.

    6De gerechtigheid bewaart den oprechte van weg; maar de goddeloosheid zal den zondaar omkeren.

  • Spr 11:18-19
    2 verzen
    74%

    18De goddeloze doet een vals werk; maar voor degene, die gerechtigheid zaait, is trouwe loon.

    19Alzo is de gerechtigheid ten leven, gelijk die het kwade najaagt, naar zijn dood jaagt.

  • 15De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.

  • 30Pe. De mond des rechtvaardigen vermeldt wijsheid, en zijn tong spreekt het recht.

  • 6Zegeningen zijn op het hoofd des rechtvaardigen; maar het geweld bedekt den mond der goddelozen.

  • 20De tong des rechtvaardigen is uitgelezen zilver; het hart der goddelozen is weinig waard.

  • 18Een hart, dat ondeugdzame gedachten smeedt; voeten, die zich haasten, om tot kwaad te lopen;

  • 3De oprechtheid der oprechten leidt hen; maar de verkeerdheid der trouwelozen verstoort hen.

  • 18Hij had immers hun huizen met goed gevuld; daarom is de raad der goddelozen verre van mij.

  • 15Loer niet, o goddeloze! op de woning des rechtvaardigen; verwoest zijn legerplaats niet.

  • 12Zain. De goddeloze bedenkt listige aanslagen tegen den rechtvaardige, en hij knerst over hem met zijn tanden.

  • 32De goddeloze zal heengedreven worden in zijn kwaad; maar de rechtvaardige betrouwt zelfs in zijn dood.

  • 12Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.

  • 19De kwaden buigen voor het aangezicht der goeden neder, en de goddelozen voor de poorten des rechtvaardigen.

  • 7De rechtvaardige neemt kennis van de rechtzaak der armen; maar de goddeloze begrijpt de wetenschap niet.

  • 29Een goddeloos man sterkt zich in zijn aangezicht; maar de oprechte, die maakt zijn weg vast.

  • 6In het huis des rechtvaardigen is een grote schat; maar in des goddelozen inkomst is beroerte.

  • 2De goede zal een welgevallen trekken van den HEERE; maar een man van schandelijke verdichtselen zal Hij verdoemen.

  • 72%

    9De HEERE zal den volken recht doen; richt mij, HEERE, naar mijn gerechtigheid, en naar mijn oprechtigheid, die bij mij is.

  • 16Het werk des rechtvaardigen is ten leven; de inkomst des goddelozen is ter zonde.

  • 11De mond des rechtvaardigen is een springader des levens; maar het geweld bedekt den mond der goddelozen.

  • 7De verwoesting der goddelozen zal hen doorsnijden, omdat zij weigeren recht te doen.

  • 16Teth. Het weinige, dat de rechtvaardige heeft, is beter dan de overvloed veler goddelozen.

  • 23De goddeloze zal het geschenk uit den schoot nemen, om de paden des rechts te buigen.

  • 2Schatten der goddeloosheid doen geen nut; maar de gerechtigheid redt van den dood.

  • 11Van u is een uitgegaan, die kwaad denkt tegen den HEERE, een Belialsraadsman.

  • 20Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.

  • 11Dag en nacht omringen zij haar op haar muren; en ongerechtigheid en overlast is binnen in haar.

  • 23Die den goddeloze rechtvaardigen om een geschenk, en de gerechtigheid der rechtvaardigen van dezelven afwenden.

  • 2Want hun hart bedenkt verwoesting, en hun lippen spreken moeite.

  • 13Hij vangt de wijzen in hun arglistigheid; dat de raad der verdraaiden gestort wordt.

  • 7Hun voeten lopen tot het kwade, en zij haasten om onschuldig bloed te vergieten; hun gedachten zijn gedachten der ongerechtigheid, verstoring en verbreking is op hun banen.