Spreuken 10:2
Schatten der goddeloosheid doen geen nut; maar de gerechtigheid redt van den dood.
Schatten der goddeloosheid doen geen nut; maar de gerechtigheid redt van den dood.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
3De oprechtheid der oprechten leidt hen; maar de verkeerdheid der trouwelozen verstoort hen.
4Goed doet geen nut ten dage der verbolgenheid; maar de gerechtigheid redt van den dood.
5De gerechtigheid des oprechten maakt zijn weg recht; maar de goddeloze valt door zijn goddeloosheid.
6De gerechtigheid der vromen zal hen redden; maar de trouwelozen worden gevangen in hun verkeerdheid.
3De HEERE laat de ziel des rechtvaardigen niet hongeren; maar de have der goddelozen stoot Hij weg.
6In het huis des rechtvaardigen is een grote schat; maar in des goddelozen inkomst is beroerte.
16Het werk des rechtvaardigen is ten leven; de inkomst des goddelozen is ter zonde.
28In het pad der gerechtigheid is het leven; en in den weg van haar voetpad is de dood niet.
32De goddeloze zal heengedreven worden in zijn kwaad; maar de rechtvaardige betrouwt zelfs in zijn dood.
18De goddeloze doet een vals werk; maar voor degene, die gerechtigheid zaait, is trouwe loon.
19Alzo is de gerechtigheid ten leven, gelijk die het kwade najaagt, naar zijn dood jaagt.
6Te arbeiden om schatten met een valse tong, is een voortgedrevene ijdelheid dergenen, die den dood zoeken.
7De verwoesting der goddelozen zal hen doorsnijden, omdat zij weigeren recht te doen.
6De gerechtigheid bewaart den oprechte van weg; maar de goddeloosheid zal den zondaar omkeren.
16Teth. Het weinige, dat de rechtvaardige heeft, is beter dan de overvloed veler goddelozen.
21Het kwaad zal de zondaars vervolgen; maar den rechtvaardige zal men goed vergelden.
22De goede zal zijner kinders kinderen doen erven; maar het vermogen des zondaars is voor de rechtvaardige weggelegd.
8De rechtvaardige wordt uit benauwdheid bevrijd; en de goddeloze komt in zijn plaats.
30De vrucht des rechtvaardigen is een boom des levens; en wie zielen vangt, is wijs.
18De goddeloze is een rantsoen voor de rechtvaardigen, en de trouweloze voor de oprechten.
21Lamed. De goddeloze ontleent en geeft niet weder; maar de rechtvaardige ontfermt zich, en geeft.
6Hij laat den goddeloze niet leven, en het recht der ellendigen beschikt Hij.
21Die rechtvaardigheid en weldadigheid najaagt, zal het leven, rechtvaardigheid en eer vinden.
14Gelijk als hij voortgekomen is uit zijner moeders buik, alzo zal hij naakt wederkeren, gaande gelijk hij gekomen was; en hij zal niet medenemen van zijn arbeid, dat hij met zijn hand zou wegdragen.
8Uw goddeloosheid zou zijn tegen een man, gelijk gij zijt, en uw gerechtigheid voor eens mensen kind.
19Zo zijn de paden van een iegelijk, die gierigheid pleegt; zij zal de ziel van haar meester vangen.
8Beter is een weinig met gerechtigheid, dan de veelheid der inkomsten zonder recht.
1De spreuken van Salomo. Een wijs zoon verblijdt den vader; maar een zot zoon is zijner moeder droefheid.
12Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.
20De tong des rechtvaardigen is uitgelezen zilver; het hart der goddelozen is weinig waard.
21De lippen des rechtvaardigen voeden er velen; maar de dwazen sterven door gebrek van verstand.
22De zegen des HEEREN, die maakt rijk; en Hij voegt er geen smart bij.
10Zijn er niet nog, in eens ieders goddelozen huis, schatten der goddeloosheid en een schaarse efa, dat te verfoeien is?
6Zegeningen zijn op het hoofd des rechtvaardigen; maar het geweld bedekt den mond der goddelozen.
7De gedachtenis des rechtvaardigen zal tot zegening zijn; maar de naam der goddelozen zal verrotten.
29De weg des HEEREN is voor den oprechte sterkte; maar voor de werkers der ongerechtigheid verstoring.
30De rechtvaardige zal in eeuwigheid niet bewogen worden; maar de goddelozen zullen de aarde niet bewonen.
31De mond des rechtvaardigen brengt overvloediglijk wijsheid voort; maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden.
7De goddelozen worden omgekeerd, dat zij niet meer zijn; maar het huis der rechtvaardigen zal bestaan.
10Die de oprechten doet dwalen op een kwaden weg, zal zelf in zijn gracht vallen; maar de vromen zullen het goede beerven.
28Wie op zijn rijkdom vertrouwt, die zal vallen; maar de rechtvaardigen zullen groenen als loof.
14Des wijzen leer is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods.
26Den gansen dag begeert hij begeerlijke dingen; maar de rechtvaardige zal geven, en niet inhouden.
5Der rechtvaardigen gedachten zijn recht; der goddelozen raadslagen zijn bedrog.
18Als de rechtvaardige afkeert van zijn gerechtigheid, en doet onrecht, zo zal hij daarin sterven.
27Die gierigheid pleegt, beroert zijn huis; maar die geschenken haat, zal leven.
23De begeerte der rechtvaardigen is alleenlijk het goede; maar de verwachting der goddelozen is verbolgenheid.
15Dit alles heb ik gezien in de dagen mijner ijdelheid; er is een rechtvaardige, die in zijn gerechtigheid omkomt; daarentegen is er een goddeloze, die in zijn boosheid zijn dagen verlengt.
12De goddeloze begeert het net der bozen; maar de wortel der rechtvaardigen zal uitgeven.
9Het licht der rechtvaardigen zal zich verblijden; maar de lamp der goddelozen zal uitgeblust worden.