Spreuken 12:28
In het pad der gerechtigheid is het leven; en in den weg van haar voetpad is de dood niet.
In het pad der gerechtigheid is het leven; en in den weg van haar voetpad is de dood niet.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
12Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.
25Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.
19Alzo is de gerechtigheid ten leven, gelijk die het kwade najaagt, naar zijn dood jaagt.
19Allen die tot haar ingaan, zullen niet wederkomen, en zullen de paden des levens niet aantreffen;
20Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.
3De oprechtheid der oprechten leidt hen; maar de verkeerdheid der trouwelozen verstoort hen.
4Goed doet geen nut ten dage der verbolgenheid; maar de gerechtigheid redt van den dood.
5De gerechtigheid des oprechten maakt zijn weg recht; maar de goddeloze valt door zijn goddeloosheid.
6De gerechtigheid der vromen zal hen redden; maar de trouwelozen worden gevangen in hun verkeerdheid.
2Schatten der goddeloosheid doen geen nut; maar de gerechtigheid redt van den dood.
24De weg des levens is den verstandige naar boven; opdat hij afwijke van de hel, beneden.
32De goddeloze zal heengedreven worden in zijn kwaad; maar de rechtvaardige betrouwt zelfs in zijn dood.
21Die rechtvaardigheid en weldadigheid najaagt, zal het leven, rechtvaardigheid en eer vinden.
16Het werk des rechtvaardigen is ten leven; de inkomst des goddelozen is ter zonde.
17Het pad tot het leven is desgenen die de tucht bewaart; maar die de bestraffing verlaat, doet dwalen.
9Dan zult gij verstaan gerechtigheid, en recht, en billijkheden, en alle goed pad.
19De weg des luiaards is als een doornheg; maar het pad der oprechten is wel gebaand.
29De weg des HEEREN is voor den oprechte sterkte; maar voor de werkers der ongerechtigheid verstoring.
20Ik doe wandelen op den weg der gerechtigheid, in het midden van de paden des rechts;
17De baan der oprechten is van het kwaad af te wijken; hij behoedt zijn ziel, die zijn weg bewaart.
14Des wijzen leer is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods.
15Goed verstand geeft aangenaamheid; maar de weg der trouwelozen is streng.
26De rechtvaardige is voortreffelijker dan zijn naaste; maar de weg der goddelozen doet hen dwalen.
27Een bedrieger zal zijn jachtvang niet braden; maar het kostelijk goed des mensen is des vlijtigen.
18Als de rechtvaardige afkeert van zijn gerechtigheid, en doet onrecht, zo zal hij daarin sterven.
6De gerechtigheid bewaart den oprechte van weg; maar de goddeloosheid zal den zondaar omkeren.
18Die oprecht wandelt, zal behouden worden; maar die zich verkeerdelijk gedraagt in twee wegen, zal in den enen vallen.
26Als de rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid, en onrecht doet, en sterft in dezelve, hij zal in zijn onrecht, dat hij gedaan heeft, sterven.
16Een mens, die van den weg des verstands afdwaalt, zal in de gemeente der doden rusten.
7Het pad des rechtvaardigen is geheel effen, den gang des rechtvaardigen weegt Gij recht.
6Want de HEERE kent den weg der rechtvaardigen; maar de weg der goddelozen zal vergaan.
13Ook zal de HEERE het goede geven; en ons land zal zijn vrucht geven. [ (Psalms 85:14) De gerechtigheid zal voor Zijn aangezicht henengaan, en Hij zal ze zetten op den weg Zijner voetstappen. ]
27De vreze des HEEREN is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods.
11Ik onderwijs u in den weg der wijsheid; ik doe u treden in de rechte sporen.
12In uw gaan zal uw tred niet benauwd worden, en indien gij loopt, zult gij niet struikelen.
18Maar het pad der rechtvaardigen is gelijk een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot den vollen dag toe.
16Die het gebod bewaart, bewaart zijn ziel; die zijn wegen veracht, zal sterven.
15Dit alles heb ik gezien in de dagen mijner ijdelheid; er is een rechtvaardige, die in zijn gerechtigheid omkomt; daarentegen is er een goddeloze, die in zijn boosheid zijn dagen verlengt.
17Haar wegen zijn wegen der liefelijkheid, en al haar paden vrede.
14Kom niet op het pad der goddelozen, en treed niet op den weg der bozen.
15Verwerp dien, ga er niet door; wijk er van, en ga voorbij.
8Beter is een weinig met gerechtigheid, dan de veelheid der inkomsten zonder recht.
6De arme, wandelende in zijn oprechtheid, is beter, dan die verkeerd is van wegen, al is hij rijk.
19Zo zijn de paden van een iegelijk, die gierigheid pleegt; zij zal de ziel van haar meester vangen.
5Doornen en strikken, zijn in den weg des verkeerden; die zijn ziel bewaart, zal zich verre van die maken.
8En tot dit volk zult gij zeggen: Zo zegt de HEERE: Ziet, Ik stel voor ulieder aangezicht den weg des levens en den weg des doods.
23Dan zult gij uw weg zeker wandelen, en gij zult uw voet niet stoten.
30De vrucht des rechtvaardigen is een boom des levens; en wie zielen vangt, is wijs.
10De tucht is onaangenaam voor dengene die het pad verlaat; en die de bestraffing haat, zal sterven.
17Wees niet al te goddeloos, noch wees al te dwaas; waarom zoudt gij sterven buiten uw tijd?