Spreuken 15:19
De weg des luiaards is als een doornheg; maar het pad der oprechten is wel gebaand.
De weg des luiaards is als een doornheg; maar het pad der oprechten is wel gebaand.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
15Luiheid doet in diepen slaap vallen; en een bedriegelijke ziel zal hongeren.
13De luiaard zegt: Er is een felle leeuw op den weg, een leeuw is op de straten.
14Een deur keert om op haar herre, alzo de luiaard op zijn bed.
15De luiaard verbergt zijn hand in den boezem, hij is te moede, om die weder tot zijn mond te brengen.
16De luiaard is wijzer in zijn ogen, dan zeven, die met rede antwoorden.
26De rechtvaardige is voortreffelijker dan zijn naaste; maar de weg der goddelozen doet hen dwalen.
27Een bedrieger zal zijn jachtvang niet braden; maar het kostelijk goed des mensen is des vlijtigen.
28In het pad der gerechtigheid is het leven; en in den weg van haar voetpad is de dood niet.
5Doornen en strikken, zijn in den weg des verkeerden; die zijn ziel bewaart, zal zich verre van die maken.
30Ik ging voorbij den akker eens luiaards, en voorbij den wijngaard van een verstandeloos mens;
25De begeerte des luiaards zal hem doden, want zijn handen weigeren te werken.
9Ook die zich slap aanstelt in zijn werk, die is een broeder van een doorbrenger.
20Een wijs zoon zal den vader verblijden; maar een zot mens veracht zijn moeder.
21De dwaasheid is den verstandeloze blijdschap; maar een man van verstand zal recht wandelen.
13De luiaard zegt: Er is een leeuw buiten; ik mocht op het midden der straten gedood worden!
24Een luiaard verbergt de hand in den boezem, en hij zal ze niet weder aan zijn mond brengen.
2Ook is de ziel zonder wetenschap niet goed; en die met de voeten haastig is, zondigt.
3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.
4De ziel des luiaards is begerig, doch er is niets; maar de ziel der vlijtigen zal vet gemaakt worden.
26Gelijk edik den tanden, en gelijk rook den ogen is zo is de luie dengenen, die hem uitzenden.
19De weg der goddelozen is als donkerheid, zij weten niet, waarover zij struikelen zullen.
18Een grimmig man zal gekijf verwekken; maar de lankmoedige zal den twist stillen.
24De hand der vlijtigen zal heersen; maar de bedriegers zullen onder cijns wezen.
18Door grote luiheid verzwakt het gebint, en door slapheid der handen wordt het huis doorlekkende.
20Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.
15Goed verstand geeft aangenaamheid; maar de weg der trouwelozen is streng.
4Om den winter zal de luiaard niet ploegen; daarom zal hij bedelen in den oogst, maar er zal niet zijn.
16Het werk des rechtvaardigen is ten leven; de inkomst des goddelozen is ter zonde.
17Het pad tot het leven is desgenen die de tucht bewaart; maar die de bestraffing verlaat, doet dwalen.
15De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.
9Die in oprechtheid wandelt, wandelt zeker; maar die zijn wegen verkeert, zal bekend worden.
29Een goddeloos man sterkt zich in zijn aangezicht; maar de oprechte, die maakt zijn weg vast.
15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.
17De baan der oprechten is van het kwaad af te wijken; hij behoedt zijn ziel, die zijn weg bewaart.
24De weg des levens is den verstandige naar boven; opdat hij afwijke van de hel, beneden.
12De kloekzinnige ziet het kwaad, en verbergt zich; de slechten gaan henen door, en worden gestraft.
12Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.
29De weg des HEEREN is voor den oprechte sterkte; maar voor de werkers der ongerechtigheid verstoring.
5De gedachten des vlijtigen zijn alleen tot overschot; maar van een ieder, die haastig is, alleen tot gebrek.
6De gerechtigheid bewaart den oprechte van weg; maar de goddeloosheid zal den zondaar omkeren.
6Ga tot de mier, gij luiaard! zie haar wegen, en word wijs;
25Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.
15Verwerp dien, ga er niet door; wijk er van, en ga voorbij.
9Hoe lang zult gij, luiaard, nederliggen? Wanneer zult gij van uw slaap opstaan?
8De weg des mensen is gans verkeerd en vreemd; maar het werk des zuiveren is recht.
5Hij is een verachte fakkel, naar de mening desgenen, die gerust is; hij is gereed met den voet te struikelen.
15De slechte gelooft alle woord; maar de kloekzinnige merkt op zijn gang.
4Die met een bedriegelijke hand werkt, wordt arm; maar de hand der vlijtigen maakt rijk.
15Hebt gij het pad der eeuw waargenomen, dat de ongerechtige lieden betreden hebben?
9Gelijk een doorn gaat in de hand eens dronkaards, alzo is een spreuk in den mond der zotten.