Spreuken 18:9
Ook die zich slap aanstelt in zijn werk, die is een broeder van een doorbrenger.
Ook die zich slap aanstelt in zijn werk, die is een broeder van een doorbrenger.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
15Luiheid doet in diepen slaap vallen; en een bedriegelijke ziel zal hongeren.
18Door grote luiheid verzwakt het gebint, en door slapheid der handen wordt het huis doorlekkende.
18Een grimmig man zal gekijf verwekken; maar de lankmoedige zal den twist stillen.
19De weg des luiaards is als een doornheg; maar het pad der oprechten is wel gebaand.
4Die met een bedriegelijke hand werkt, wordt arm; maar de hand der vlijtigen maakt rijk.
5Die in den zomer vergadert, is een verstandig zoon; maar die in den oogst vast slaapt, is een zoon die beschaamd maakt.
25De begeerte des luiaards zal hem doden, want zijn handen weigeren te werken.
26Den gansen dag begeert hij begeerlijke dingen; maar de rechtvaardige zal geven, en niet inhouden.
13De luiaard zegt: Er is een felle leeuw op den weg, een leeuw is op de straten.
14Een deur keert om op haar herre, alzo de luiaard op zijn bed.
15De luiaard verbergt zijn hand in den boezem, hij is te moede, om die weder tot zijn mond te brengen.
16De luiaard is wijzer in zijn ogen, dan zeven, die met rede antwoorden.
24Een luiaard verbergt de hand in den boezem, en hij zal ze niet weder aan zijn mond brengen.
26Gelijk edik den tanden, en gelijk rook den ogen is zo is de luie dengenen, die hem uitzenden.
27Een bedrieger zal zijn jachtvang niet braden; maar het kostelijk goed des mensen is des vlijtigen.
4De ziel des luiaards is begerig, doch er is niets; maar de ziel der vlijtigen zal vet gemaakt worden.
24De hand der vlijtigen zal heersen; maar de bedriegers zullen onder cijns wezen.
30Ik ging voorbij den akker eens luiaards, en voorbij den wijngaard van een verstandeloos mens;
9Hoe lang zult gij, luiaard, nederliggen? Wanneer zult gij van uw slaap opstaan?
10Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens, al nederliggende;
4Om den winter zal de luiaard niet ploegen; daarom zal hij bedelen in den oogst, maar er zal niet zijn.
18Die den haat bedekt, is van valse lippen, en die een kwaad gerucht voortbrengt, is een zot.
19In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig.
13De luiaard zegt: Er is een leeuw buiten; ik mocht op het midden der straten gedood worden!
29Wie zijn huis beroert, zal wind erven; en de dwaas zal een knecht zijn desgenen, die wijs van hart is.
8De woorden des oorblazers zijn als dergenen, die geslagen zijn, en die dalen in het binnenste des buiks.
19Een vals getuige, die leugenen blaast; en die tussen broederen krakelen inwerpt.
10Want ook toen wij bij u waren, hebben wij u dit bevolen, dat, zo iemand niet wil werken, hij ook niet ete.
11Want wij horen, dat sommigen onder u ongeregeld wandelen, niet werkende, maar ijdele dingen doende.
24Wie zijn vader of zijn moeder berooft, en zegt: Het is geen overtreding; die is des verdervenden mans gezel.
9Wie stenen wegdraagt, zal smart daardoor lijden; wie hout klieft, zal daardoor in gevaar zijn.
21Want een zuiper en vraat zal arm worden; en de sluimering doet verscheurde klederen dragen.
24Die met een dief deelt, haat zijn ziel; hij hoort een vloek, en hij geeft het niet te kennen.
6Ga tot de mier, gij luiaard! zie haar wegen, en word wijs;
19Die zijn land bouwt, zal met brood verzadigd worden; maar die ijdele mensen volgt, zal met armoede verzadigd worden.
33Een weinig slapens, een weinig sluimerens, en weinig handvouwens, al nederliggende;
5De gedachten des vlijtigen zijn alleen tot overschot; maar van een ieder, die haastig is, alleen tot gebrek.
11Goed, van ijdelheid gekomen, zal verminderd worden; maar die met de hand vergadert, zal het vermeerderen.
16Het werk des rechtvaardigen is ten leven; de inkomst des goddelozen is ter zonde.
18De goddeloze doet een vals werk; maar voor degene, die gerechtigheid zaait, is trouwe loon.
10De Naam des HEEREN is een Sterke Toren; de rechtvaardige zal daarhenen lopen, en in een Hoog Vertrek gesteld worden.
29De lankmoedige is groot van verstand; maar die haastig is van gemoed, verheft de dwaasheid.
18Een verstandeloos mens klapt in de hand, zich borg stellende bij zijn naaste.
2Ook is de ziel zonder wetenschap niet goed; en die met de voeten haastig is, zondigt.
5Hij is een verachte fakkel, naar de mening desgenen, die gerust is; hij is gereed met den voet te struikelen.
28Een verkeerd man zal krakeel inwerpen; en een oorblazer scheidt den voornaamsten vriend.
26De ziel des arbeidzamen arbeidt voor zichzelven; want zijn mond buigt zich voor hem.
13Wee dien, die zijn huis bouwt met ongerechtigheid, en zijn opperzalen met onrecht; die zijns naasten dienst om niet gebruikt, en geeft hen zijn arbeidsloon niet!
9Wat voordeel heeft hij, die werkt, van hetgeen hij arbeidt?
23In allen smartelijke arbeid is overschot; maar het woord der lippen strekt alleen tot gebrek.