Spreuken 26:13

Statenvertaling (States Bible)

De luiaard zegt: Er is een felle leeuw op den weg, een leeuw is op de straten.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Spr 22:13 : 13 De luiaard zegt: Er is een leeuw buiten; ik mocht op het midden der straten gedood worden!
  • Spr 15:19 : 19 De weg des luiaards is als een doornheg; maar het pad der oprechten is wel gebaand.
  • Spr 19:15 : 15 Luiheid doet in diepen slaap vallen; en een bedriegelijke ziel zal hongeren.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 13De luiaard zegt: Er is een leeuw buiten; ik mocht op het midden der straten gedood worden!

  • Spr 26:14-16
    3 verzen
    83%

    14Een deur keert om op haar herre, alzo de luiaard op zijn bed.

    15De luiaard verbergt zijn hand in den boezem, hij is te moede, om die weder tot zijn mond te brengen.

    16De luiaard is wijzer in zijn ogen, dan zeven, die met rede antwoorden.

  • 19De weg des luiaards is als een doornheg; maar het pad der oprechten is wel gebaand.

  • 27Een bedrieger zal zijn jachtvang niet braden; maar het kostelijk goed des mensen is des vlijtigen.

  • 30Ik ging voorbij den akker eens luiaards, en voorbij den wijngaard van een verstandeloos mens;

  • 25De begeerte des luiaards zal hem doden, want zijn handen weigeren te werken.

  • 12Hebt gij een man gezien, die wijs in zijn ogen is! Van een zot is meer verwachting dan van hem.

  • 15Luiheid doet in diepen slaap vallen; en een bedriegelijke ziel zal hongeren.

  • 26Gelijk edik den tanden, en gelijk rook den ogen is zo is de luie dengenen, die hem uitzenden.

  • 30De oude leeuw geweldig onder de gedierten, die voor niemand zal wederkeren;

  • 24Een luiaard verbergt de hand in den boezem, en hij zal ze niet weder aan zijn mond brengen.

  • Spr 6:9-10
    2 verzen
    73%

    9Hoe lang zult gij, luiaard, nederliggen? Wanneer zult gij van uw slaap opstaan?

    10Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens, al nederliggende;

  • 6Ga tot de mier, gij luiaard! zie haar wegen, en word wijs;

  • 4De ziel des luiaards is begerig, doch er is niets; maar de ziel der vlijtigen zal vet gemaakt worden.

  • 9Ook die zich slap aanstelt in zijn werk, die is een broeder van een doorbrenger.

  • Nah 2:11-12
    2 verzen
    71%

    11Waar is nu de woning der leeuwen, en die weide der jonge leeuwen? Alwaar de leeuw, de oude leeuw, en het leeuwenwelp wandelde, en er was niemand, die hen verschrikte.

    12De leeuw, die genoeg roofde voor zijn welpen, en worgde voor zijn oude leeuwinnen, die zijn holen vervulde met roof, en zijn woningen met het geroofde.

  • 71%

    24Zo toog hij heen, en een leeuw vond hem op den weg, en doodde hem; en zijn dood lichaam lag geworpen op den weg, en de ezel stond daarbij; ook stond de leeuw bij het dode lichaam.

    25En ziet, er gingen lieden voorbij, en zagen het dode lichaam geworpen op den weg, en den leeuw, staande bij het dode lichaam; en zij kwamen en zeiden het in de stad, waarin de oude profeet woonde.

    26Als de profeet, die hem van den weg had doen wederkeren, dit hoorde, zo zeide hij: Het is de man Gods, die den mond des HEEREN wederspannig is geweest; daarom heeft de HEERE hem den leeuw overgegeven die hem gebroken, en hem gedood heeft, naar het woord des HEEREN, dat Hij tot hem gesproken had.

  • 1De goddelozen vlieden, waar geen vervolger is; maar elk rechtvaardige is moedig, als een jonge leeuw.

  • 15De goddeloze, heersende over een arm volk, is een brullende leeuw, en een beer, die ginds en weder loopt.

  • 12Hij is gelijk als een leeuw, die begeert te roven, en als een jonge leeuw, zittende in verborgen plaatsen.

  • 36En hij zeide tot hem: Daarom dat gij de stem des HEEREN niet gehoorzaam zijt geweest, zie, als gij van mij weggegaan zijt, zo zal u een leeuw slaan. En als hij van bij hem weggegaan was, zo vond hem een leeuw, die hem sloeg.

  • 18Door grote luiheid verzwakt het gebint, en door slapheid der handen wordt het huis doorlekkende.

  • 8De jonge hoogmoedige dieren hebben het niet betreden, de felle leeuw is daarover niet heengegaan.

  • 19Als wanneer iemand vlood voor het aangezicht eens leeuws, en hem ontmoette een beer; of dat hij kwam in een huis, en leunde met zijn hand aan den wand, en hem beet een slang.

  • 4Om den winter zal de luiaard niet ploegen; daarom zal hij bedelen in den oogst, maar er zal niet zijn.

  • 12De kloekzinnige ziet het kwaad, en verbergt zich; de slechten gaan henen door, en worden gestraft.

  • 9Hij legt lagen in een verborgen plaats, gelijk een leeuw in zijn hol; hij legt lagen, om den ellendige te roven; hij rooft den ellendige, als hij hem trekt in zijn net.

  • 11De oude leeuw vergaat, omdat er geen roof is, en de jongens eens oudachtigen leeuws worden verstrooid.

  • 2De schrik des konings is als het brullen eens jongen leeuws; die zich tegen hem vergramt, zondigt tegen zijn ziel.

  • 24De hand der vlijtigen zal heersen; maar de bedriegers zullen onder cijns wezen.

  • 33Een weinig slapens, een weinig sluimerens, en weinig handvouwens, al nederliggende;

  • 12Dat een beer, die van jongen beroofd is, een man tegemoet kome, maar niet een zot in zijn dwaasheid.

  • 69%

    4Zal een leeuw brullen in het woud, als hij geen roof heeft? Zal een jonge leeuw uit zijn hol zijn stem verheffen, tenzij dat hij wat gevangen hebbe?

  • 10Daleth. Hij is mij een loerende beer, een leeuw in verborgen plaatsen.

  • 15De arbeid der zotten maakt een iegelijk van hen moede; dewijl zij niet weten naar de stad te gaan.

  • 3Een kloekzinnig mens ziet het kwaad, en verbergt zich; maar de slechten gaan henen door, en worden gestraft.

  • 9Gelijk een doorn gaat in de hand eens dronkaards, alzo is een spreuk in den mond der zotten.

  • 7Hef de benen van den kreupele op; alzo is een spreuk in den mond der zotten.

  • 28Toen toog hij heen, en vond zijn dood lichaam geworpen op den weg, en den ezel, en den leeuw, staande bij het dode lichaam; de leeuw had het dode lichaam niet gegeten, en den ezel niet gebroken.

  • 7Dies werd Ik hun als een felle leeuw; als een luipaard loerde Ik op den weg.

  • 16De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot is oplopende toornig, en zorgeloos.

  • 5Hij is een verachte fakkel, naar de mening desgenen, die gerust is; hij is gereed met den voet te struikelen.

  • 5Doornen en strikken, zijn in den weg des verkeerden; die zijn ziel bewaart, zal zich verre van die maken.

  • 6Daarom heeft hen een leeuw uit het woud verslagen, een wolf der wildernissen zal hen verwoesten; een luipaard waakt tegen hun steden; al wie uit dezelve uitgaat, zal verscheurd worden; want hun overtredingen zijn vermenigvuldigd, hun afkeringen zijn machtig veel geworden.