Spreuken 20:2

Statenvertaling (States Bible)

De schrik des konings is als het brullen eens jongen leeuws; die zich tegen hem vergramt, zondigt tegen zijn ziel.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Spr 8:36 : 36 Maar die tegen Mij zondigt, doet zijn ziel geweld aan; allen, die Mij haten, hebben den dood lief.
  • Spr 19:12 : 12 Des konings gramschap is als het brullen eens jongen leeuws; maar zijn welgevallen is als dauw op het kruid.
  • 1 Kon 2:23 : 23 En de koning Salomo zwoer bij den HEERE, zeggende: Zo doe mij God, en zo doe Hij daartoe, voorzeker Adonia zal dat woord tegen zijn leven gesproken hebben!
  • Num 16:38 : 38 Te weten de wierookvaten van dezen, die tegen hun zielen gezondigd hebben; dat men uitgerekte platen daarvan make, tot een overdeksel voor het altaar; want zij hebben ze gebracht voor het aangezicht des HEEREN, daarom zijn zij heilig; en zij zullen den kinderen Israels tot een teken zijn.
  • Spr 16:14-15 : 14 De grimmigheid des konings is als de boden des doods; maar een wijs man zal die verzoenen. 15 In het licht van des konings aangezicht is leven; en zijn welgevallen is als een wolk des spaden regens.
  • Pred 10:4 : 4 Als de geest des heersers tegen u oprijst, verlaat uw plaats niet; want het is medicijn, het stilt grote zonden.
  • Hos 11:10 : 10 Zij zullen den HEERE achterna wandelen, Hij zal brullen als een leeuw, wanneer Hij brullen zal, dan zullen de kinderen van de zee af al bevende aankomen.
  • Am 3:8 : 8 De leeuw heeft gebruld, wie zou niet vrezen? De Heere HEERE heeft gesproken, wie zou niet profeteren?
  • Hab 2:10 : 10 Gij hebt schaamte beraadslaagd voor uw huis; uitroeiende vele volken, zo hebt gij gezondigd tegen uw ziel.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 1De wijn is een spotter, de sterke drank is woelachtig; al wie daarin dwaalt, zal niet wijs zijn.

  • Spr 16:12-14
    3 verzen
    78%

    12Het is der koningen gruwel goddeloosheid te doen; want door gerechtigheid wordt de troon bevestigd.

    13De lippen der gerechtigheid zijn het welgevallen der koningen; en elkeen van hen zal liefhebben dien, die rechte dingen spreekt.

    14De grimmigheid des konings is als de boden des doods; maar een wijs man zal die verzoenen.

  • Spr 28:14-16
    3 verzen
    77%

    14Welgelukzalig is de mens, die geduriglijk vreest; maar die zijn hart verhardt, zal in het kwaad vallen.

    15De goddeloze, heersende over een arm volk, is een brullende leeuw, en een beer, die ginds en weder loopt.

    16Een vorst, die van alle verstand gebrek heeft, is ook veelvoudig in verdrukkingen; maar die de gierigheid haat, zal de dagen verlengen.

  • Spr 19:10-12
    3 verzen
    75%

    10De weelde staat een zot niet wel; hoeveel te min een knecht te heersen over vorsten!

    11Het verstand des mensen vertrekt zijn toorn; en zijn sieraad is de overtreding voorbij te gaan.

    12Des konings gramschap is als het brullen eens jongen leeuws; maar zijn welgevallen is als dauw op het kruid.

  • 22Een toornig man verwekt gekijf; en de grammoedige is veelvoudig in overtreding.

  • 3Het is eer voor een man, van twist af te blijven; maar ieder dwaas zal er zich in mengen.

  • 21Mijn zoon! vrees den HEERE en den koning; vermeng u niet met hen, die naar verandering staan;

  • Spr 14:16-17
    2 verzen
    74%

    16De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot is oplopende toornig, en zorgeloos.

    17Die haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen; en een man van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden.

  • 25De siddering des mensen legt een strik; maar die op den HEERE vertrouwt, zal in een hoog vertrek gesteld worden.

  • 23De vreze des HEEREN is ten leven; want men zal verzadigd zijnde vernachten; met het kwaad zal men niet bezocht worden.

  • 1De goddelozen vlieden, waar geen vervolger is; maar elk rechtvaardige is moedig, als een jonge leeuw.

  • Spr 14:27-29
    3 verzen
    72%

    27De vreze des HEEREN is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods.

    28In de menigte des volks is des konings heerlijkheid; maar in gebrek van volk is eens vorsten verstoring.

    29De lankmoedige is groot van verstand; maar die haastig is van gemoed, verheft de dwaasheid.

  • 35Het welbehagen des konings is over een verstandigen knecht; maar zijn verbolgenheid zal zijn over dengene, die beschaamd maakt.

  • Pred 10:4-5
    2 verzen
    72%

    4Als de geest des heersers tegen u oprijst, verlaat uw plaats niet; want het is medicijn, het stilt grote zonden.

    5Er is nog een kwaad, dat ik gezien heb onder de zon, als een dwaling, die van het aangezicht des oversten voortkomt.

  • 30De oude leeuw geweldig onder de gedierten, die voor niemand zal wederkeren;

  • 4Waar het woord des konings is, daar is heerschappij; en wie zal tot hem zeggen: Wat doet gij?

  • 13De vreze des HEEREN is, te haten het kwade, de hovaardigheid, en den hoogmoed, en den kwaden weg; Ik haat ook den mond der verkeerdheden.

  • 1Een zacht antwoord keert de grimmigheid af; maar een smartend woord doet den toorn oprijzen.

  • 10Waarzegging is op de lippen des konings; zijn mond zal niet overtreden in het gericht.

  • Spr 22:24-25
    2 verzen
    71%

    24Vergezelschap u niet met een grammoedige, en ga niet om met een zeer grimmig man;

    25Opdat gij zijn paden niet leert, en een strik over uw ziel haalt.

  • 18Een grimmig man zal gekijf verwekken; maar de lankmoedige zal den twist stillen.

  • 11Zal u niet Zijn hoogheid verschrikken, en Zijn vreze over u vallen?

  • 25Maar indien gij voortaan kwaad doet, zo zult gijlieden, als ook uw koning, omkomen.

  • 17Eert een iegelijk; hebt de broederschap lief; vreest God; eert den koning.

  • 36Maar die tegen Mij zondigt, doet zijn ziel geweld aan; allen, die Mij haten, hebben den dood lief.

  • 13De luiaard zegt: Er is een leeuw buiten; ik mocht op het midden der straten gedood worden!

  • 1Een psalm van David, den knecht des HEEREN, voor den opperzangmeester.

  • 11Een zot laat zijn gansen geest uit, maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts.

  • 11Wie kent de sterkte Uws toorns, en Uw verbolgenheid, naardat Gij te vrezen zijt?

  • 13Dat het al dat volk hore en vreze, en niet meer trotselijk handele.

  • 18Die den haat bedekt, is van valse lippen, en die een kwaad gerucht voortbrengt, is een zot.

  • 32De lankmoedige is beter dan de sterke; en die heerst over zijn geest, dan die een stad inneemt.

  • 7Van Uw schelden, o God van Jakob! is samen wagen en paard in slaap gezonken.

  • 11Dient den HEERE met vreze, en verheugt u met beving.

  • 12Dat een beer, die van jongen beroofd is, een man tegemoet kome, maar niet een zot in zijn dwaasheid.

  • 2Want den dwaze brengt de toornigheid om, en de ijver doodt den slechte.

  • 3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.

  • 2Ik zeg: Neem acht op de mond des konings; doch naar de gelegenheid van den eed Gods.

  • 25Hij aanziet alles, wat hoog is, hij is een koning over alle jonge hoogmoedige dieren.