Psalmen 90:11
Wie kent de sterkte Uws toorns, en Uw verbolgenheid, naardat Gij te vrezen zijt?
Wie kent de sterkte Uws toorns, en Uw verbolgenheid, naardat Gij te vrezen zijt?
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
7Want wij vergaan door Uw toorn; en door Uw grimmigheid worden wij verschrikt.
8Gij stelt onze ongerechtigheden voor U, onze heimelijke zonden in het licht Uws aanschijns.
9Want al onze dagen gaan henen door Uw verbolgenheid; wij brengen onze jaren door als een gedachte.
10Aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren, of, zo wij zeer sterk zijn, tachtig jaren; en het uitnemendste van die is moeite en verdriet; want het wordt snellijk afgesneden, en wij vliegen daarheen.
12Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen.
13Keer weder, HEERE! tot hoe lange? en het berouwe U over Uw knechten.
7Van Uw schelden, o God van Jakob! is samen wagen en paard in slaap gezonken.
5Breng ons weder, o God onzes heils! en doe te niet Uw toornigheid over ons.
9Wie weet, God mocht Zich wenden, en berouw hebben; en Hij mocht Zich wenden van de hittigheid Zijns toorns, dat wij niet vergingen!
46Gij hebt de dagen zijner jeugd verkort; Gij hebt hem met schaamte overdekt. Sela.
47Hoe lang, o HEERE! zult Gij U steeds verbergen, zal Uw grimmigheid branden als een vuur?
10Als God opstond ten oordeel, om alle zachtmoedigen der aarde te verlossen. Sela.
18Omdat er grimmigheid is, wacht u, dat Hij u misschien niet met een klop wegstote; zodat u een groot rantsoen er niet zou afbrengen.
4Mijn hart werd heet in mijn binnenste, een vuur ontbrandde in mijn overdenking; toen sprak ik met mijn tong:
27De vreze des HEEREN vermeerdert de dagen; maar de jaren der goddelozen worden verkort.
3Gij doet den mens wederkeren tot verbrijzeling, en zegt: Keert weder, gij mensenkinderen!
5Hoe lang, HEERE? Zult Gij eeuwiglijk toornen? Zal Uw ijver als vuur branden?
16Van der jeugd aan ben ik bedrukt en doodbrakende; ik draag Uw vervaarnissen, ik ben twijfelmoedig.
29De lankmoedige is groot van verstand; maar die haastig is van gemoed, verheft de dwaasheid.
9Zijt niet haastig in uw geest om te toornen; want de toorn rust in den boezem der dwazen.
4Grimmigheid en overloping van toorn is wreedheid; maar wie zal voor nijdigheid bestaan?
11Zal u niet Zijn hoogheid verschrikken, en Zijn vreze over u vallen?
10Resch. De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid; Schin. allen, die ze doen, hebben goed verstand; Thau. Zijn lof bestaat tot in der eeuwigheid.
15Verblijd ons naar de dagen, in dewelke Gij ons gedrukt hebt, naar de jaren, in dewelke wij het kwaad gezien hebben.
5Zal Hij in eeuwigheid den toorn behouden? Zal Hij dien gestadig bewaren? Zie, gij spreekt en doet die boosheden, en neemt de overhand.
11Zie toch, zijn kracht is in zijn lenden, en zijn macht in den navel zijns buiks.
5Zijn Uw dagen als de dagen van een mens? Zijn Uw jaren als de dagen eens mans?
11Dat zij zeggen: Hoe zou het God weten, en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste?
9Wat weet gij, dat wij niet weten? Wat verstaat gij, dat bij ons niet is?
28Maar Ik weet uw zitten, en uw uitgaan, en uw inkomen, en uw woeden tegen Mij.
27Maar Ik weet uw zitten, en uw uitgaan, en uw inkomen, en uw woeden tegen Mij.
31Vreselijk is het te vallen in de handen des levenden Gods.
11Dient den HEERE met vreze, en verheugt u met beving.
2De schrik des konings is als het brullen eens jongen leeuws; die zich tegen hem vergramt, zondigt tegen zijn ziel.
3De misdaad Uws volks hebt Gij weggenomen; Gij hebt al hun zonden bedekt. Sela.
1Een psalm van David, om te doen gedenken.
29Schroomt u vanwege het zwaard; want de grimmigheid is over de misdaden des zwaards; opdat gij weet, dat er een gericht zij.
8He. Laat af van toorn, en verlaat de grimmigheid; ontsteek u niet, immers niet, om kwaad te doen.
12Hoewel een zondaar honderd maal kwaad doet, en God hem de dagen verlengt; zo weet ik toch, dat het dien zal welgaan, die God vrezen, die voor Zijn aangezicht vrezen.
27Wanneer uw vreze komt gelijk een verwoesting, en uw verderf aankomt als een wervelwind; wanneer u benauwdheid en angst overkomt;
11Maar voor wien hebt gij geschroomd of gevreesd? Want gij hebt gelogen, en zijt Mijner niet gedachtig geweest, gij hebt Mij op uw hart niet gelegd; is het niet, om dat Ik zwijg, en dat van ouds af, en gij vreest Mij niet?
10De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid, en de wetenschap der heiligen is verstand.
4O gij, die zijn ziel verscheurt door zijn toorn! Zal om uwentwil de aarde verlaten worden, en zal een rots versteld worden uit haar plaats?
31Wie zal hem in het aangezicht zijn weg vertonen? Als hij wat doet, wie zal hem vergelden?
13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.
13God zal Zijn toorn niet afkeren; onder Hem worden gebogen de hovaardige helpers.
4O God! breng ons weder, en laat Uw aanschijn lichten, zo zullen wij verlost worden.
3O HEERE! wat is de mens, dat Gij hem kent, het kind des mensen, dat Gij het acht?
17Hoe dikwijls geschiedt het, dat de lamp der goddelozen uitgeblust wordt, en hun verderf hun overkomt; dat God hun smarten uitdeelt in Zijn toorn!
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth, op de Scheminith.