Job 15:13
Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.
Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
11Zijn de vertroostingen Gods u te klein, en schuilt er enige zaak bij u?
12Waarom rukt uw hart u weg, en waarom wenken uw ogen?
4Aan wien hebt gij die woorden verhaald? En wiens geest is van u uitgegaan?
5Maar gewisselijk, och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende;
3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.
14Wat is de mens, dat hij zuiver zou zijn, en die geboren is van een vrouw, dat hij rechtvaardig zou zijn?
3Bestraffende door woorden, die niet baten, en door redenen, met dewelke hij geen voordeel doet?
4Ja, gij vernietigt de vreze, en neemt het gebed voor het aangezicht Gods weg.
5Want uw mond leert uw ongerechtigheid, en gij hebt de tong der arglistigen verkoren.
6Uw mond verdoemt u, en niet ik; en uw lippen getuigen tegen u.
7Zijt gij de eerste een mens geboren? Of zijt gij voor de heuvelen voortgebracht?
8Hebt gij den verborgen raad Gods gehoord, en hebt gij de wijsheid naar u getrokken?
7Zult gij voor God onrecht spreken, en zult gij voor Hem bedriegerij spreken?
3Zal er een einde zijn aan de winderige woorden? Of wat stijft u, dat gij alzo antwoordt?
6Indien gij zondigt, wat bedrijft gij tegen Hem? Indien uw overtredingen menigvuldig zijn, wat doet gij Hem?
3Zouden uw leugenen de lieden doen zwijgen, en zoudt gij spotten, en niemand u beschamen?
6Want gelijk in de veelheid der dromen ijdelheden zijn, alzo in veel woorden; maar vrees gij God!
6Dat Gij onderzoekt naar mijn ongerechtigheid, en naar mijn zonde verneemt?
19Uw mond slaat gij in het kwade, en uw tong koppelt bedrog.
20Gij zit, gij spreekt tegen uw broeder; tegen den zoon uwer moeder geeft gij lastering uit.
24Waarom verbergt Gij Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand?
25Zult Gij een gedreven blad verbrijzelen, en zult Gij een drogen stoppel vervolgen?
3Is het U goed, dat Gij verdrukt, dat Gij verwerpt den arbeid Uwer handen, en over den raad der goddelozen schijnsel geeft?
13Waarom hebt gij tegen Hem getwist? Want Hij antwoordt niet van al Zijn daden.
17Wat is de mens, dat Gij hem groot acht, en dat Gij Uw hart op hem zet?
18En dat Gij hem bezoekt in elken morgenstond; dat Gij hem in elken ogenblik beproeft?
19Hoe lang keert Gij U niet af van mij, en laat niet van mij af, totdat ik mijn speeksel inzwelge?
20Heb ik gezondigd, wat zal ik U doen, o Mensenhoeder? Waarom hebt Gij mij U tot een tegenloop gesteld, dat ik mijzelven tot een last zij?
16Maar tot den goddeloze zegt God: Wat hebt gij Mijn inzettingen te vertellen, en neemt Mijn verbond in uw mond?
17Dewijl gij de kastijding haat, en Mijn woorden achter u henenwerpt.
4Is (mij aangaande) mijn klacht tot den mens? Doch of het zo ware, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?
13Houdt stil van mij, opdat ik spreke, en er ga over mij, wat het zij.
14Waarom zou ik mijn vlees in mijn tanden nemen, en mijn ziel in mijn hand stellen?
13Gij zijt te rein van ogen, dan dat Gij het kwade zoudt zien, en de kwelling kunt Gij niet aanschouwen; waarom zoudt Gij aanschouwen die trouwelooslijk handelen? Waarom zoudt Gij zwijgen, als de goddeloze dien verslindt, die rechtvaardiger is dan hij?
2Houdt gij dat voor recht, dat gij gezegd hebt: Mijn gerechtigheid is meerder dan Gods?
3Want gij hebt gezegd: Wat zou zij u baten? Wat meer voordeel zal ik daarmede doen, dan met mijn zonde?
25O, hoe krachtig zijn de rechte redenen! Maar wat bestraft het bestraffen, dat van ulieden is?
26Zult gij, om te bestraffen, woorden bedenken, en zullen de redenen des mismoedigen voor wind zijn?
15Indien ik zou zeggen: Ik zal ook alzo spreken; ziet, zo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht Uwer kinderen.
17Zou een mens rechtvaardiger zijn dan God? Zou een man reiner zijn dan zijn Maker?
2Hoe lang zult gij deze dingen spreken, en de redenen uws monds een geweldige wind zijn?
3Zou dan God het recht verkeren, en zou de Almachtige de gerechtigheid verkeren?
8Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen!
9Zal het goed zijn, als Hij u zal onderzoeken? Zult gij met Hem spotten, gelijk men met een mens spot?
19Wie is hij, die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik den geest geven.
13Uw woorden zijn tegen Mij te sterk geworden, zegt de HEERE; maar gij zegt: Wat hebben wij tegen U gesproken?
16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.
13Opdat gij niet zegt: Wij hebben de wijsheid gevonden; God heeft hem nedergestoten, geen mens.
10Uit denzelfden mond komt voort zegening en vervloeking. Dit moet, mijn broeders, alzo niet geschieden.
23Wie heeft Hem gesteld over Zijn weg? Of wie heeft gezegd: Gij hebt onrecht gedaan?