Job 15:11
Zijn de vertroostingen Gods u te klein, en schuilt er enige zaak bij u?
Zijn de vertroostingen Gods u te klein, en schuilt er enige zaak bij u?
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
12Waarom rukt uw hart u weg, en waarom wenken uw ogen?
13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.
8Hebt gij den verborgen raad Gods gehoord, en hebt gij de wijsheid naar u getrokken?
9Wat weet gij, dat wij niet weten? Wat verstaat gij, dat bij ons niet is?
10Onder ons is ook een grijze, ja, een stokoude, meerder van dagen dan uw vader.
2Hoort aandachtelijk mijn rede, en laat dit zijn uw vertroostingen.
5Maar gewisselijk, och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende;
6En u bekend maakte de verborgenheden der wijsheid, omdat zij dubbel zijn in wezen! Daarom weet, dat God voor u vergeet van uw ongerechtigheid.
7Zult gij de onderzoeking Gods vinden? Zult gij tot de volmaaktheid toe den Almachtige vinden?
2Ik zal tot God zeggen: Verdoem mij niet; doe mij weten, waarover Gij met mij twist.
3Is het U goed, dat Gij verdrukt, dat Gij verwerpt den arbeid Uwer handen, en over den raad der goddelozen schijnsel geeft?
4Hebt Gij vleselijke ogen, ziet Gij, gelijk een mens ziet?
5Zijn Uw dagen als de dagen van een mens? Zijn Uw jaren als de dagen eens mans?
6Dat Gij onderzoekt naar mijn ongerechtigheid, en naar mijn zonde verneemt?
34Hoe vertroost gij mij dan met ijdelheid, dewijl in uw antwoorden overtreding overig is?
18Mijn verkwikking is in droefenis; mijn hart is flauw in mij.
20Zijn mijn dagen niet weinig? Houd op, zet van mij af, dat ik mij een weinig verkwikke;
3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.
5Maar nu komt het aan u, en gij zijt verdrietig; het raakt tot u, en gij wordt beroerd.
6Was niet uw vreze Gods uw hoop, en de oprechtheid uwer wegen uw verwachting?
2Ik heb vele dergelijke dingen gehoord; gij allen zijt moeilijke vertroosters.
3Zal er een einde zijn aan de winderige woorden? Of wat stijft u, dat gij alzo antwoordt?
13Is dan mijn hulp niet in mij, en is de wijsheid uit mij verdreven?
14Aan hem, die versmolten is, zou van zijn vriend weldadigheid geschieden; of hij zou de vreze des Almachtigen verlaten.
10Dat zou nog mijn troost zijn, en zou mij verkwikken in den weedom, zo Hij niet spaarde; want ik heb de redenen des Heiligen niet verborgen gehouden.
4Is het om uw vreze, dat Hij u bestraft, dat Hij met u in het gericht komt?
5Is niet uw boosheid groot, en uwer ongerechtigheden geen einde?
2Want wat is het deel Gods van boven, of de erve des Almachtigen uit de hoogten?
8Zult gij Zijn aangezicht aannemen? Zult gij voor God twisten?
9Zal het goed zijn, als Hij u zal onderzoeken? Zult gij met Hem spotten, gelijk men met een mens spot?
24Waarom verbergt Gij Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand?
16Ain. Om dezer dingen wille ween ik; mijn oog, mijn oog vliet af van water, omdat de trooster, die mijn ziel zou verkwikken, verre van mij is; mijn kinderen zijn verwoest, omdat de vijand de overhand heeft.
4Ja, gij vernietigt de vreze, en neemt het gebed voor het aangezicht Gods weg.
4Zult gij niet van nu af tot Mij roepen: Mijn Vader! Gij zijt de leidsman mijner jeugd!
4Gelijk als ik was in de dagen mijner jonkheid, toen Gods verborgenheid over mijn tent was;
4Is (mij aangaande) mijn klacht tot den mens? Doch of het zo ware, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?
4Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft,
13Maar deze dingen hebt Gij verborgen in Uw hart; ik weet, dat dit bij U geweest is.
10Vertoont gij u slap ten dage uwer benauwdheid, uw kracht is nauw.
5Ik zou u versterken met mijn mond, en de beweging mijner lippen zou zich inhouden.
11Zal u niet Zijn hoogheid verschrikken, en Zijn vreze over u vallen?
13Bij Hem is wijsheid en macht; Hij heeft raad en verstand.
16Want God heeft mijn hart week gemaakt, en de Almachtige heeft mij beroerd;
2Zo wij een woord opnemen tegen u, zult gij verdrietig zijn? Nochtans wie zal zich van woorden kunnen onthouden?
2Waartoe zou mij ook geweest zijn de krachten hunner handen? Zij was door ouderdom in hen vergaan.
15Want dan zult gij uw aangezicht opheffen uit de gebreken, en zult vast wezen, en niet vrezen.
2Zijn niet bespotters bij mij, en overnacht niet mijn oog in hunlieder verbittering?
7Gewisselijk, Hij heeft mij nu vermoeid; Gij hebt mijn ganse vergadering verwoest.
10Zo doe dan de toornigheid wijken van uw hart, en doe het kwade weg van uw vlees, want de jeugd, en de jonkheid is ijdelheid.
15Indien ik zou zeggen: Ik zal ook alzo spreken; ziet, zo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht Uwer kinderen.