Job 6:13
Is dan mijn hulp niet in mij, en is de wijsheid uit mij verdreven?
Is dan mijn hulp niet in mij, en is de wijsheid uit mij verdreven?
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
9En dat het Gode beliefde, dat Hij mij verbrijzelde, Zijn hand losliet, en een einde met mij maakte!
10Dat zou nog mijn troost zijn, en zou mij verkwikken in den weedom, zo Hij niet spaarde; want ik heb de redenen des Heiligen niet verborgen gehouden.
11Wat is mijn kracht, dat ik hopen zou? Of welk is mijn einde, dat ik mijn leven verlengen zou?
12Is mijn kracht stenen kracht? Is mijn vlees staal?
14Aan hem, die versmolten is, zou van zijn vriend weldadigheid geschieden; of hij zou de vreze des Almachtigen verlaten.
17Vau. En Gij hebt mijn ziel verre van den vrede verstoten, ik heb het goede vergeten.
18Vau. Toen zeide ik: Mijn sterkte is vergaan, en mijn hoop van den HEERE.
20Zijn mijn dagen niet weinig? Houd op, zet van mij af, dat ik mij een weinig verkwikke;
6Zou Hij naar de grootheid Zijner macht met mij twisten? Neen; maar Hij zou acht op mij slaan.
2Hoe hebt gij geholpen dien, die zonder kracht is, en behouden den arm, die zonder sterkte is?
6Weet nu, dat God mij heeft omgekeerd, en mij met Zijn net omsingeld.
7Ziet, ik roep, geweld! doch word niet verhoord; ik schreeuw, doch er is geen recht.
13Mijn broeders heeft Hij verre van mij gedaan; en die mij kennen, zekerlijk, zij zijn van mij vervreemd.
4Is (mij aangaande) mijn klacht tot den mens? Doch of het zo ware, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?
14Waarom zou ik mijn vlees in mijn tanden nemen, en mijn ziel in mijn hand stellen?
2Waartoe zou mij ook geweest zijn de krachten hunner handen? Zij was door ouderdom in hen vergaan.
20Die wijsheid dan, van waar komt zij, en waar is de plaats des verstands?
11Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af; van den buik mijner moeder aan zijt Gij mijn God.
4Daarom wordt mijn geest overstelpt in mij, mijn hart is verbaasd in het midden van mij.
10HEERE! voor U is al mijn begeerte; en mijn zuchten is voor U niet verborgen.
11Daleth. Hij heeft mijn wegen afgewend; en Hij heeft mij in stukken gebroken; Hij heeft mij woest gemaakt.
11Mijn dagen zijn voorbijgegaan; uitgerukt zijn mijn gedachten, de bezittingen mijns harten.
23Of bevrijdt mij van de hand des verdrukkers, en verlost mij van de hand der tirannen?
15Waar zou dan nu mijn verwachting wezen? Ja, mijn verwachting, wie zal ze aanschouwen?
13Zij breken mijn pad af, zij bevorderen mijn ellende; zij hebben geen helper van doen.
19Zo het aan de kracht komt, zie, Hij is sterk; en zo het aan het recht komt, wie zal mij dagvaarden?
12Maar de wijsheid, van waar zal zij gevonden worden? En waar is de plaats des verstands?
12Ben ik dan een zee, of walvis, dat Gij om mij wachten zet?
2Want Gij zijt de God mijner sterkte; waarom verstoot Gij mij dan? Waarom ga ik steeds in het zwart, vanwege des vijands onderdrukking?
9Mijn eer heeft Hij van mij afgetrokken, en de kroon mijns hoofds heeft Hij weggenomen.
13Bij Hem is wijsheid en macht; Hij heeft raad en verstand.
13Opdat gij niet zegt: Wij hebben de wijsheid gevonden; God heeft hem nedergestoten, geen mens.
3Want het zou nu zwaarder zijn dan het zand der zeeen; daarom worden mijn woorden opgezwolgen.
4Want de pijlen des Almachtigen zijn in mij, welker vurig venijn mijn geest uitdrinkt; de verschrikkingen Gods rusten zich tegen mij.
6Zo ik spreek, mijn smart wordt niet ingehouden; en houd ik op, wat gaat er van mij weg?
7Gewisselijk, Hij heeft mij nu vermoeid; Gij hebt mijn ganse vergadering verwoest.
13Mem. Van de hoogte heeft Hij een vuur in mijn beenderen gezonden, waarover Hij geheerst heeft; Hij heeft voor mijn voeten een net uitgebreid, Hij heeft mij achterwaarts doen keren, Hij heeft mij woest en ziek gemaakt den gansen dag.
21Ontfermt u mijner, ontfermt u mijner, o gij, mijn vrienden! want de hand Gods heeft mij aangeraakt.
4Als mijn geest in mij overstelpt was, zo hebt Gij mijn pad gekend. Zij hebben mij een strik verborgen op den weg, dien ik gaan zou.
10Wees mij genadig, HEERE! want mij is bange; van verdriet is doorknaagd mijn oog, mijn ziel en mijn buik.
19Hij heeft mij in het slijk geworpen, en ik ben gelijk geworden als stof en as.
24Waarom verbergt Gij Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand?
16Pe. Wend U tot mij, en wees mij genadig, want ik ben eenzaam en ellendig.
18Mijn verkwikking is in droefenis; mijn hart is flauw in mij.
8Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen!
6Was niet uw vreze Gods uw hoop, en de oprechtheid uwer wegen uw verwachting?
6Dat Gij onderzoekt naar mijn ongerechtigheid, en naar mijn zonde verneemt?
20Mijn vrienden zijn mijn bespotters; doch mijn oog druipt tot God.
22Mijn schouder valle van het schouderbeen, en mijn arm breke van zijn pijp af!
19Zou Hij uw rijkdom achten, dat gij niet in benauwdheid zoudt zijn; of enige versterkingen van kracht?