Job 36:19

Statenvertaling (States Bible)

Zou Hij uw rijkdom achten, dat gij niet in benauwdheid zoudt zijn; of enige versterkingen van kracht?

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Spr 11:4 : 4 Goed doet geen nut ten dage der verbolgenheid; maar de gerechtigheid redt van den dood.
  • Spr 11:21 : 21 Hand aan hand zal de boze niet onschuldig zijn; maar het zaad der rechtvaardigen zal ontkomen.
  • Jes 2:20 : 20 In dien dag zal de mens zijn zilveren afgoden, en zijn gouden afgoden, welke zij zich gemaakt hadden, om zich daarvoor neder te buigen, wegwerpen voor de mollen en de vledermuizen;
  • Jes 37:36 : 36 Toen voer de engel des HEEREN uit, en sloeg in het leger van Assyrie honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich des morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen.
  • Zef 1:18 : 18 Noch hun zilver, noch hun goud zal hen kunnen redden ten dage der verbolgenheid des HEEREN; maar door het vuur Zijns ijvers zal dit ganse land verteerd worden; want Hij zal een voleinding maken, gewisselijk, een haastige, met al de inwoners dezes lands.
  • Jak 5:3 : 3 Uw goud en zilver is verroest; en hun roest zal u zijn tot een getuigenis, en zal uw vlees als een vuur verteren; gij hebt schatten vergaderd in de laatste dagen.
  • Job 9:13 : 13 God zal Zijn toorn niet afkeren; onder Hem worden gebogen de hovaardige helpers.
  • Job 34:20 : 20 In een ogenblik sterven zij; zelfs ter middernacht wordt een volk geschud, dat het doorga; en de machtige wordt weggenomen zonder hand.
  • Ps 33:16-17 : 16 Een koning wordt niet behouden door een groot heir; een held wordt niet gered door grote kracht; 17 Het paard feilt ter overwinning, en bevrijdt niet door zijn grote sterkte.
  • Spr 10:2 : 2 Schatten der goddeloosheid doen geen nut; maar de gerechtigheid redt van den dood.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 18Omdat er grimmigheid is, wacht u, dat Hij u misschien niet met een klop wegstote; zodat u een groot rantsoen er niet zou afbrengen.

  • 20Haak niet naar dien nacht, als de volken van hun plaats opgenomen worden.

  • 35Hij zal geen verzoening aannemen; en hij zal niet bewilligen, ofschoon gij het geschenk vergroot.

  • Job 28:13-17
    5 verzen
    75%

    13De mens weet haar waarde niet, en zij wordt niet gevonden in het land der levenden.

    14De afgrond zegt: Zij is in mij niet; en de zee zegt: Zij is niet bij mij.

    15Het gesloten goud kan voor haar niet gegeven worden, en met zilver kan haar prijs niet worden opgewogen.

    16Zij kan niet geschat worden tegen fijn goud van Ofir, tegen den kostelijken Schoham, en den Saffier.

    17Men kan het goud of het kristal haar niet gelijk waarderen; ook is zij niet te verwisselen voor een kleinood van dicht goud.

  • 29Hij zal niet rijk worden, en zijn vermogen zal niet bestaan; en hun volmaaktheid zal zich niet uitbreiden op de aarde.

  • 24Maar Hij zal tot een aardhoop de hand niet uitsteken; is er bij henlieden geschrei in zijn verdrukking?

  • 19Men kan de Topaas van Morenland haar niet gelijk waarderen; en bij het fijn louter goud kan zij niet geschat worden.

  • 6Zou Hij naar de grootheid Zijner macht met mij twisten? Neen; maar Hij zou acht op mij slaan.

  • Spr 23:4-5
    2 verzen
    73%

    4Vermoei u niet om rijk te worden; sta af van uw vernuft.

    5Zult gij uw ogen laten vliegen op hetgeen niets is? Want het zal zich gewisselijk vleugelen maken gelijk een arend, die naar den hemel vliegt.

  • Job 22:24-25
    2 verzen
    73%

    24Dan zult gij het goud op het stof leggen, en het goud van Ofir bij den rotssteen der beken;

    25Ja, de Almachtige zal uw overvloedig goud zijn, en uw krachtig zilver zijn;

  • 24Want de schat is niet tot in eeuwigheid; of zal de kroon van geslacht tot geslacht zijn?

  • 10Immers zijn de gemene lieden ijdelheid, de grote lieden zijn leugen; in de weegschaal opgewogen, zouden zij samen lichter zijn dan de ijdelheid.

  • 6Zie, Gij hebt mijn dagen een handbreed gesteld, en mijn leeftijd is als niets voor U; immers is een ieder mens, hoe vast hij staat, enkel ijdelheid. Sela.

  • Job 6:12-13
    2 verzen
    72%

    12Is mijn kracht stenen kracht? Is mijn vlees staal?

    13Is dan mijn hulp niet in mij, en is de wijsheid uit mij verdreven?

  • Job 20:20-21
    2 verzen
    72%

    20Omdat hij geen rust in zijn buik gekend heeft, zo zal hij van zijn gewenst goed niet uitbehouden.

    21Er zal niets overig zijn, dat hij ete; daarom zal hij niet wachten naar zijn goed.

  • 8Het rantsoen van ieders ziel is zijn rijkdom; maar de arme hoort het schelden niet.

  • 22Ook trekt hij de machtigen door zijn kracht; staat hij op, zo is men des levens niet zeker.

  • Job 32:13-14
    2 verzen
    72%

    13Opdat gij niet zegt: Wij hebben de wijsheid gevonden; God heeft hem nedergestoten, geen mens.

    14Nu heeft hij tegen mij geen woorden gericht, en met ulieder woorden zal ik hem niet beantwoorden.

  • 19Rijk ligt hij neder, en wordt niet weggenomen; doet hij zijn ogen open, zo is hij er niet.

  • 9Elk een zijner niezingen doet een licht schijnen; en zijn ogen zijn als de oogleden des dageraads.

  • 19Hoe dan tot Dien, Die het aangezicht der vorsten niet aanneemt, en den rijke voor den arme niet kent? Want zij zijn allen Zijner handen werk.

  • 13Waarom hebt gij tegen Hem getwist? Want Hij antwoordt niet van al Zijn daden.

  • 13Gewisselijk zal God de ijdelheid niet verhoren, en de Almachtige zal die niet aanschouwen.

  • 16Een koning wordt niet behouden door een groot heir; een held wordt niet gered door grote kracht;

  • 27Zo gij niet hadt om te betalen, waarom zou men uw bed van onder u wegnemen?

  • 9Want hij heeft gezegd: Het baat een man niet, als hij welbehagen heeft aan God.

  • 6Waarom zou ik vrezen in kwade dagen, als de ongerechtigen, die op de hielen zijn, mij omringen?

  • 7God zal u ook afbreken in eeuwigheid; Hij zal u wegrapen en u uit de tent uitrukken; ja, Hij zal u uitwortelen uit het land der levenden. Sela.

  • 33Zal het van u zijn, hoe Hij iets vergelden zal, dewijl gij Hem versmaadt? Zoudt gij dan verkiezen, en niet ik? Wat weet gij dan? Spreek.

  • 9Zal God zijn geroep horen, als benauwdheid over hem komt?

  • 16Toen zeide ik: Wijsheid is beter dan kracht, hoewel de wijsheid des armen veracht, en zijn woorden niet waren gehoord geweest.

  • 23Gewisselijk, Hij legt den mens niet te veel op, dat hij tegen God in het gericht zou mogen treden.

  • 24Daarom vreze Hem de lieden; Hij ziet geen wijzen van harte aan.

  • 10Waar het goed vermenigvuldigt, daar vermenigvuldigen ook die het eten; wat nuttigheid hebben dan de bezitters daarvan, dan het gezicht hunner ogen?

  • 4Door uw wijsheid en door uw verstand, hebt gij vermogen voor u verkregen; ja, gij hebt goud en zilver verkregen in uw schatten.

  • 5Zie, God is geweldig, nochtans versmaadt Hij niet; geweldig is Hij in kracht des harten.

  • 4Is het om uw vreze, dat Hij u bestraft, dat Hij met u in het gericht komt?

  • 14Gelijk als hij voortgekomen is uit zijner moeders buik, alzo zal hij naakt wederkeren, gaande gelijk hij gekomen was; en hij zal niet medenemen van zijn arbeid, dat hij met zijn hand zou wegdragen.

  • 17Vrees niet, wanneer een man rijk wordt, wanneer de eer van zijn huis groot wordt;

  • 4Hij is wijs van hart, en sterk van kracht; wie heeft zich tegen Hem verhard, en vrede gehad?

  • 11Zal u niet Zijn hoogheid verschrikken, en Zijn vreze over u vallen?