Job 22:24

Statenvertaling (States Bible)

Dan zult gij het goud op het stof leggen, en het goud van Ofir bij den rotssteen der beken;

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • 1 Kon 9:28 : 28 En zij kwamen te Ofir, en haalden van daar aan goud, vierhonderd en twintig talenten, en brachten het tot den koning Salomo.
  • Jes 13:12 : 12 Ik zal maken, dat een man dierbaarder zal zijn dan dicht goud, en een mens dan fijn goud van Ofir.
  • Gen 10:29 : 29 En Ofir, en Havila, en Jobab; deze allen waren zonen van Joktan.
  • 1 Kon 10:21 : 21 Ook waren alle drinkvaten van den koning Salomo van goud, en alle vaten van het huis des wouds van Libanon waren van gesloten goud; geen zilver was er aan; want het werd in de dagen van Salomo niet voor enig ding geacht.
  • 1 Kon 22:48 : 48 Toen was er geen koning in Edom, maar een stadhouder des konings.
  • 2 Kron 1:5 : 5 Ook was het koperen altaar, dat Bezaleel, de zoon van Uri, den zoon van Hur, gemaakt had, aldaar voor den tabernakel des HEEREN; Salomo nu en de gemeente bezochten hetzelve.
  • 2 Kron 9:10 : 10 Verder ook Hurams knechten, en Salomo's knechten, die goud brachten uit Ofir, brachten algummimhout en edelgesteente.
  • 2 Kron 9:27 : 27 Ook maakte de koning het zilver in Jeruzalem te zijn als stenen, en de cederen maakte hij te zijn als de wilde vijgebomen, die in de laagte zijn, in menigte.
  • Job 31:25 : 25 Zo ik blijde ben geweest, omdat mijn vermogen groot was, en omdat mijn hand geweldig veel verkregen had;
  • Ps 45:9 : 9 Al Uw klederen zijn mirre, en aloe, en kassie; uit de elpenbenen paleizen, van waar zij U verblijden.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 22:25-26
    2 verzen
    81%

    25Ja, de Almachtige zal uw overvloedig goud zijn, en uw krachtig zilver zijn;

    26Want dan zult gij u over den Almachtige verlustigen, en gij zult tot God uw aangezicht opheffen.

  • Job 22:21-23
    3 verzen
    79%

    21Gewen u toch aan Hem, en heb vrede; daardoor zal u het goede overkomen.

    22Ontvang toch de wet uit Zijn mond, en leg Zijn redenen in uw hart.

    23Zo gij u bekeert tot den Almachtige, gij zult gebouwd worden; doe het onrecht verre van uw tenten.

  • 6Haar stenen zijn de plaats van den saffier, en zij heeft stofjes van goud.

  • Job 27:16-17
    2 verzen
    75%

    16Zo hij zilver opgehoopt zal hebben als stof, en kleding bereid als leem;

    17Hij zal ze bereiden, maar de rechtvaardige zal ze aantrekken, en de onschuldige zal het zilver delen.

  • Job 31:24-25
    2 verzen
    75%

    24Zo ik het goud tot mijn hoop gezet heb, of tot het fijn goud gezegd heb: Gij zijt mijn vertrouwen;

    25Zo ik blijde ben geweest, omdat mijn vermogen groot was, en omdat mijn hand geweldig veel verkregen had;

  • Job 28:1-2
    2 verzen
    74%

    1Gewisselijk, er is voor het zilver een uitgang, en een plaats voor het goud, dat zij smelten.

    2Het ijzer wordt uit stof genomen, en uit steen wordt koper gegoten.

  • 19Zou Hij uw rijkdom achten, dat gij niet in benauwdheid zoudt zijn; of enige versterkingen van kracht?

  • 4Zo gij haar zoekt als zilver, en naspeurt als verborgen schatten;

  • 4Door uw wijsheid en door uw verstand, hebt gij vermogen voor u verkregen; ja, gij hebt goud en zilver verkregen in uw schatten.

  • Job 3:14-15
    2 verzen
    71%

    14Met de koningen en raadsheren der aarde, die voor zich woeste plaatsen bebouwden;

    15Of met de vorsten, die goud hadden, die hun huizen met zilver vervulden.

  • 3Uw goud en zilver is verroest; en hun roest zal u zijn tot een getuigenis, en zal uw vlees als een vuur verteren; gij hebt schatten vergaderd in de laatste dagen.

  • 19Men kan de Topaas van Morenland haar niet gelijk waarderen; en bij het fijn louter goud kan zij niet geschat worden.

  • 19Zij zullen hun zilver op de straten werpen, en hun goud zal tot onreinigheid zijn; hun zilver en hun goud zal hen niet kunnen uithelpen ten dage der verbolgenheid des HEEREN; hun ziel zullen zij niet verzadigen, en hun ingewanden zullen zij niet vullen; want het zal de aanstoot hunner ongerechtigheid zijn.

  • 34Is dat niet bij Mij opgesloten, verzegeld in Mijn schatten?

  • Job 28:15-17
    3 verzen
    70%

    15Het gesloten goud kan voor haar niet gegeven worden, en met zilver kan haar prijs niet worden opgewogen.

    16Zij kan niet geschat worden tegen fijn goud van Ofir, tegen den kostelijken Schoham, en den Saffier.

    17Men kan het goud of het kristal haar niet gelijk waarderen; ook is zij niet te verwisselen voor een kleinood van dicht goud.

  • Job 11:15-18
    4 verzen
    70%

    15Want dan zult gij uw aangezicht opheffen uit de gebreken, en zult vast wezen, en niet vrezen.

    16Want gij zult de moeite vergeten, en harer gedenken als der wateren, die voorbijgegaan zijn.

    17Ja, uw tijd zal klaarder dan de middag oprijzen; gij zult uitvliegen, als de morgenstond zult gij zijn.

    18En gij zult vertrouwen, omdat er verwachting zal zijn; en gij zult graven, gerustelijk zult gij slapen;

  • 1Aleph. Hoe is het goud zo verdonkerd, het goede fijne goud zo veranderd! Hoe zijn de stenen des heiligdoms vooraan op alle straten verworpen!

  • 4Doe het schuim van het zilver weg, en er zal een vat voor den smelter uitkomen;

  • 22Zijt gij gekomen tot de schatkameren der sneeuw, en hebt gij de schatkameren des hagels gezien?

  • 22En gijlieden zult voor onrein houden het deksel uwer zilveren gesneden beelden, en het overtreksel uwer gouden gegoten beelden; gij zult ze wegwerpen gelijk een maanstondig kleed, en tot elk van die zeggen: Henen uit!

  • 12Ik zal maken, dat een man dierbaarder zal zijn dan dicht goud, en een mens dan fijn goud van Ofir.

  • 11Of gij ziet de duisternis niet, en des water overvloed bedekt u.

  • 12En het goud van dit land is goed; daar is ook bedolah, en de steen sardonix.

  • 9Rooft zilver, rooft goud, want er is geen einde des voorraads, der heerlijkheid van allerlei gewenste vaten.

  • 13Alle kostelijk goed zullen wij vinden, onze huizen zullen wij met roof vullen.

  • 10Doch Hij kent den weg, die bij mij is; Hij beproeve mij; als goud zal ik uitkomen.

  • 3En Tyrus zich sterkten gebouwd heeft, en zilver verzameld heeft als stof, en fijn goud als slijk der straten;

  • 11Wij zullen u gouden spangen maken, met zilveren stipjes.

  • 1De naam is uitgelezener dan grote rijkdom, de goede gunst dan zilver en dan goud.

  • 14Want haar koophandel is beter dan de koophandel van zilver, en haar inkomst dan het uitgegraven goud.

  • 15Goud is er, en menigte van robijnen; maar de lippen de wetenschap zijn een kostelijk kleinood.

  • 19Vergadert u geen schatten op de aarde, waar ze de mot en de roest verderft, en waar de dieven doorgraven en stelen;

  • 38Als het stof doorgoten is tot vastigheid, en de kluiten samenkleven?

  • 14Zie daar, ik heb in mijn verdrukking voor het huis des HEEREN bereid honderd duizend talenten gouds, en duizend maal duizend talenten zilvers; en des kopers en des ijzers is geen gewicht, want het is er in menigte; ik heb ook hout en stenen bereid; doe gij er nog meer bij.

  • 6Zo gij zuiver en recht zijt, gewisselijk zal Hij nu opwaken, om uwentwil, en Hij zal de woning uwer gerechtigheid volmaken.

  • 25Zo maak het tot geld, en bindt het geld in uw hand, en gaat naar de plaats, die de HEERE, uw God, verkiezen zal;

  • 10Neemt Mijn tucht aan, en niet zilver, en wetenschap, meer dan het uitgelezen uitgegraven goud.