Job 3:14

Statenvertaling (States Bible)

Met de koningen en raadsheren der aarde, die voor zich woeste plaatsen bebouwden;

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 15:28 : 28 En heeft bewoond verdelgde steden, en huizen, die men niet bewoonde, die gereed waren tot steen hopen te worden.
  • Jes 14:10-16 : 10 Die altegader zullen antwoorden, en tot u zeggen: Gij zijt ook krank geworden, gelijk wij, gij zijt ons gelijk geworden. 11 Uw hovaardij is in de hel nedergestort, met het geklank uwer luiten; de maden zullen onder u gestrooid worden, en de wormen zullen u bedekken. 12 Hoe zijt gij uit den hemel gevallen, o morgenster, gij zoon des dageraads! hoe zijt gij ter aarde nedergehouwen, gij, die de heidenen krenktet! 13 En zeidet in uw hart: Ik zal ten hemel opklimmen, ik zal mijn troon boven de sterren Gods verhogen; en ik zal mij zetten op den berg der samenkomst aan de zijden van het noorden. 14 Ik zal boven de hoogten der wolken klimmen, ik zal den Allerhoogste gelijk worden. 15 Ja, in de hel zult gij nedergestoten worden, aan de zijden van den kuil! 16 Die u zien zullen, zullen u aanschouwen, zij zullen op u letten, en zeggen: Is dat die man, die de aarde beroerde, die de koninkrijken deed beven?
  • Jes 58:12 : 12 En die uit u voortkomen, zullen bouwen de oude verwoeste plaatsen; de fondamenten, van geslacht tot geslacht verwoest, zult gij oprichten; en gij zult genaamd worden: Die de bressen toemuurt, die de paden weder opmaakt, om te bewonen.
  • Ezech 26:20 : 20 Dan zal Ik u doen nederdalen met degenen die in den kuil nederdalen tot het oude volk, en zal u doen nederliggen in de onderste plaatsen der aarde, in de woeste plaatsen, die van ouds geweest zijn, met degenen, die in den kuil nederdalen, opdat gij niet bewoond wordt; en Ik zal het sieraad herstellen in het land der levenden.
  • Ezech 27:18-32 : 18 Damaskus dreef koophandel met u, om de veelheid uwer werken, vanwege de veelheid van allerlei goed; met wijn van Chelbon en witte wol. 19 Ook leverden Dan en Javan, de omreizer, op uw markten; glad ijzer, kassie en kalmus was in uw onderlingen koophandel. 20 Dedan handelde met u met kostelijk gewand tot wagens. 21 Arabie en alle vorsten van Kedar waren de kooplieden uwer hand; met lammeren, en rammen, en bokken, daarmede handelden zij met u. 22 De kooplieden van Scheba en Raema waren uw kooplieden; met alle hoofdspecerij, en met alle kostelijk gesteente en goud, handelden zij op uw markten. 23 Haran, en Kanne, en Eden, de kooplieden van Scheba, Assur en Kilmad, handelden met u. 24 Die waren uw kooplieden met volkomen sieradien, met pakken van hemelsblauw en gestikt werk, en met schatkisten van schone klederen; gebonden met koorden, en in ceder gepakt, onder uw koopmanschap. 25 De schepen van Tarsis zongen van u, vanwege den onderlingen koophandel met u; en gij waart vervuld, en zeer verheerlijkt in het hart der zeeen. 26 Die u roeien, hebben u in grote wateren gevoerd; de oostenwind heeft u verbroken in het hart der zeeen. 27 Uw goed, en uw marktwaren, uw onderlinge koophandel, uw zeelieden, en uw schippers; die uw breuken verbeteren, en die onderlingen handel met u drijven, en al uw krijgslieden, die in u zijn, zelfs met uw ganse gemeente, die in het midden van u is, zullen vallen in het hart der zeeen, ten dage van uw val. 28 Van het geluid des geschreeuws uwer schippers zullen de voorsteden beven. 29 En allen, die den riem handelen, zeelieden, en alle schippers van de zee, zullen uit hun schepen nederklimmen; op het land zullen zij staan blijven. 30 En zij zullen hun stem over u laten horen, en bitterlijk schreeuwen; en zij zullen stof op hun hoofden werpen, zij zullen zich wentelen in de as. 31 En zij zullen zich over u gans kaal maken, en zakken aangorden; en zullen over u wenen met bitterheid der ziel, en bittere rouwklage. 32 En zij zullen in hun gekerm een klaaglied over u opheffen, en over u weeklagen, zeggende: Wie is geweest als Tyrus, als de uitgeroeide in het midden der zee?
  • Job 30:23 : 23 Want ik weet, dat Gij mij ter dood brengen zult, en tot het huis der samenkomst aller levenden.
  • Ps 49:6-9 : 6 Waarom zou ik vrezen in kwade dagen, als de ongerechtigen, die op de hielen zijn, mij omringen? 7 Aangaande degenen, die op hun goed vertrouwen; en op de veelheid huns rijkdoms roemen; 8 Niemand van hen zal zijn broeder immermeer kunnen verlossen; hij zal Gode zijn rantsoen niet kunnen geven; 9 (Want de verlossing hunner ziel is te kostelijk, en zal in eeuwigheid ophouden); 10 Dat hij ook voortaan geduriglijk zou leven, en de verderving niet zien.
  • Ps 49:14 : 14 Deze hun weg is een dwaasheid van hen; nochtans hebben hun nakomelingen een welbehagen in hun woorden. Sela.
  • Ps 89:48 : 48 Gedenk van hoedanige eeuw ik ben; waarom zoudt Gij aller mensenkinderen tevergeefs geschapen hebben?
  • Pred 8:8 : 8 Er is geen mens, die heerschappij heeft over den geest, om den geest in te houden; en hij heeft geen heerschappij over den dag des doods; ook geen geweer in dezen strijd; ook zal de goddeloosheid haar meesters niet verlossen.
  • Jes 5:8 : 8 Wee dengenen, die huis aan huis trekken, akker aan akker brengen, totdat er geen plaats meer zij, en dat gijlieden alleen inwoners gemaakt wordt in het midden des lands!
  • 1 Kon 2:10 : 10 En David ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven in de stad Davids.
  • 1 Kon 11:43 : 43 Daarna ontsliep Salomo met zijn vaderen, en werd begraven in de stad van zijn vader David; en Rehabeam, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.
  • Job 12:17 : 17 Hij voert de raadsheren beroofd weg, en de rechters maakt Hij uitzinnig,

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 3:15-17
    3 verzen
    85%

    15Of met de vorsten, die goud hadden, die hun huizen met zilver vervulden.

    16Of als een verborgene misdracht, zou ik niet zijn; als de kinderkens, die het licht niet gezien hebben.

    17Daar houden de bozen op van beroering, en daar rusten de vermoeiden van kracht;

  • 13Want nu zou ik nederliggen, en stil zijn; ik zou slapen, dan zou voor mij rust wezen;

  • Jer 22:13-14
    2 verzen
    74%

    13Wee dien, die zijn huis bouwt met ongerechtigheid, en zijn opperzalen met onrecht; die zijns naasten dienst om niet gebruikt, en geeft hen zijn arbeidsloon niet!

    14Die daar zegt: Ik zal mij een zeer hoog huis bouwen, en doorluchtige opperzalen; en hij houwt zich vensteren uit, en het is bedekt met ceder, en aangestreken met menie.

  • 28En heeft bewoond verdelgde steden, en huizen, die men niet bewoonde, die gereed waren tot steen hopen te worden.

  • 14Er was een kleine stad, en weinig lieden waren daarin; en een groot koning kwam tegen haar, en hij omsingelde ze, en hij bouwde grote vastigheden tegen haar.

  • 18Hij had immers hun huizen met goed gevuld; daarom is de raad der goddelozen verre van mij.

  • Jes 14:16-18
    3 verzen
    73%

    16Die u zien zullen, zullen u aanschouwen, zij zullen op u letten, en zeggen: Is dat die man, die de aarde beroerde, die de koninkrijken deed beven?

    17Die de wereld als een woestijn stelde, en derzelver steden verstoorde, die zijn gevangenen niet liet los gaan naar huis toe?

    18Al de koningen der heidenen, zij allen liggen neder met eer, een iegelijk in zijn huis;

  • 10En hij zal de koningen beschimpen, en de prinsen zullen hem een belaching zijn; hij zal alle vesting belachen; want hij zal stof vergaderen, en hij zal ze innemen.

  • 8Maar was er een man van geweld, voor dien was het land, en een aanzienlijk persoon woonde daarin.

  • 3Door wijsheid wordt een huis gebouwd, en door verstandigheid bevestigd;

  • 17Hij voert de raadsheren beroofd weg, en de rechters maakt Hij uitzinnig,

  • 72%

    2De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen den HEERE, en tegen Zijn Gezalfde, zeggende:

  • 10Nu dan, gij koningen, handelt verstandiglijk; laat u tuchtigen, gij rechters der aarde!

  • 40Hij stort verachting uit over de prinsen, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is.

  • 4Ik maakte mij grote werken, ik bouwde mij huizen, ik plantte mij wijngaarden.

  • 3Is het U goed, dat Gij verdrukt, dat Gij verwerpt den arbeid Uwer handen, en over den raad der goddelozen schijnsel geeft?

  • Klaagl 3:5-6
    2 verzen
    71%

    5Beth. Hij heeft tegen mij gebouwd, en Hij heeft mij met galle en moeite omringd.

    6Beth. Hij heeft mij gezet in duistere plaatsen, als degenen, die over lang dood zijn.

  • 3Zij verblijden den koning met hun boosheid, en de vorsten met hun leugenen.

  • 28Want gij zult zeggen: Waar is het huis van den prins, en waar is de tent van de woningen der goddelozen?

  • 11Gij koningen der aarde, en alle volken, gij vorsten, en alle rechters der aarde!

  • 3Want ik was nijdig op de dwazen, ziende der goddelozen vrede.

  • 18Hij bouwt zijn huis als een motte, en als een hoeder de hutte maakt.

  • Job 22:15-16
    2 verzen
    71%

    15Hebt gij het pad der eeuw waargenomen, dat de ongerechtige lieden betreden hebben?

    16Die rimpelachtig gemaakt zijn, als het de tijd niet was; een vloed is over hun grond uitgestort;

  • 14En mijn hand heeft gevonden het vermogen der volken, als een nest, en ik heb het ganse aardrijk samengeraapt, gelijk men de eieren die verlaten zijn, samenraapt; en er is niemand geweest, die een vleugel verroerde, of den bek opendeed, of piepte.

  • 71%

    3Gij, die den bozen dag verre stelt, en den stoel des gewelds nabij brengt.

  • 18Door grote luiheid verzwakt het gebint, en door slapheid der handen wordt het huis doorlekkende.

  • 8En gaat over weg in gezelschap met de werkers der ongerechtigheid, en wandelt met goddeloze lieden.

  • 12Hun edelen (doch zij zijn er niet) zullen zij tot het koninkrijk roepen, maar al hun vorsten zullen niets zijn.

  • 23Die de vorsten te niet maakt; de richters der aarde maakt Hij tot ijdelheid.

  • 3Ik heb gezien een dwaas wortelende; doch terstond vervloekte ik zijn woning.

  • Pred 10:6-7
    2 verzen
    70%

    6Een dwaas wordt gezet in grote hoogheden, maar de rijken zitten in de laagte.

    7Ik heb knechten te paard gezien, en vorsten, gaande als knechten op de aarde.

  • 18Immers zet Gij hen op gladde plaatsen; Gij doet hen vallen in verwoestingen.

  • 14Er is nog een ijdelheid, die op aarde geschiedt: dat er zijn rechtvaardigen, dien het wedervaart naar het werk der goddelozen, en er zijn goddelozen, dien het wedervaart naar het werk der rechtvaardigen. Ik zeg, dat dit ook ijdelheid is.

  • 6Ik heb de heidenen uitgeroeid, hun hoeken zijn verwoest, Ik heb hun straten eenzaam gemaakt, dat niemand daardoor gaat; hun steden zijn verstoord, zodat er niemand is, dat er geen inwoner is.

  • 7God zal u ook afbreken in eeuwigheid; Hij zal u wegrapen en u uit de tent uitrukken; ja, Hij zal u uitwortelen uit het land der levenden. Sela.

  • 7De ganse aarde rust, zij is stil; zij maken groot geschal met gejuich.

  • 10Alzo heb ik ook gezien de goddelozen, die begraven waren, en degenen, die kwamen, en uit de plaats des Heiligen gingen, die werden vergeten in die stad, in dewelke zij recht gedaan hadden. Dit is ook ijdelheid.

  • 4Door uw wijsheid en door uw verstand, hebt gij vermogen voor u verkregen; ja, gij hebt goud en zilver verkregen in uw schatten.

  • 8Wie heeft dit beraadslaagd over Tyrus, die kronende stad, welker kooplieden vorsten zijn, welker handelaars de heerlijkste in het land zijn?

  • 18En voorwaar, een berg vallende vergaat, en een rots wordt versteld uit haar plaats;

  • 14Raad en het wezen zijn Mijne; Ik ben het Verstand, Mijne is de Sterkte.

  • 3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.