Job 3:14
Met de koningen en raadsheren der aarde, die voor zich woeste plaatsen bebouwden;
Met de koningen en raadsheren der aarde, die voor zich woeste plaatsen bebouwden;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
15Of met de vorsten, die goud hadden, die hun huizen met zilver vervulden.
16Of als een verborgene misdracht, zou ik niet zijn; als de kinderkens, die het licht niet gezien hebben.
17Daar houden de bozen op van beroering, en daar rusten de vermoeiden van kracht;
13Want nu zou ik nederliggen, en stil zijn; ik zou slapen, dan zou voor mij rust wezen;
13Wee dien, die zijn huis bouwt met ongerechtigheid, en zijn opperzalen met onrecht; die zijns naasten dienst om niet gebruikt, en geeft hen zijn arbeidsloon niet!
14Die daar zegt: Ik zal mij een zeer hoog huis bouwen, en doorluchtige opperzalen; en hij houwt zich vensteren uit, en het is bedekt met ceder, en aangestreken met menie.
28En heeft bewoond verdelgde steden, en huizen, die men niet bewoonde, die gereed waren tot steen hopen te worden.
14Er was een kleine stad, en weinig lieden waren daarin; en een groot koning kwam tegen haar, en hij omsingelde ze, en hij bouwde grote vastigheden tegen haar.
18Hij had immers hun huizen met goed gevuld; daarom is de raad der goddelozen verre van mij.
16Die u zien zullen, zullen u aanschouwen, zij zullen op u letten, en zeggen: Is dat die man, die de aarde beroerde, die de koninkrijken deed beven?
17Die de wereld als een woestijn stelde, en derzelver steden verstoorde, die zijn gevangenen niet liet los gaan naar huis toe?
18Al de koningen der heidenen, zij allen liggen neder met eer, een iegelijk in zijn huis;
10En hij zal de koningen beschimpen, en de prinsen zullen hem een belaching zijn; hij zal alle vesting belachen; want hij zal stof vergaderen, en hij zal ze innemen.
8Maar was er een man van geweld, voor dien was het land, en een aanzienlijk persoon woonde daarin.
3Door wijsheid wordt een huis gebouwd, en door verstandigheid bevestigd;
17Hij voert de raadsheren beroofd weg, en de rechters maakt Hij uitzinnig,
2De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen den HEERE, en tegen Zijn Gezalfde, zeggende:
10Nu dan, gij koningen, handelt verstandiglijk; laat u tuchtigen, gij rechters der aarde!
40Hij stort verachting uit over de prinsen, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is.
4Ik maakte mij grote werken, ik bouwde mij huizen, ik plantte mij wijngaarden.
3Is het U goed, dat Gij verdrukt, dat Gij verwerpt den arbeid Uwer handen, en over den raad der goddelozen schijnsel geeft?
5Beth. Hij heeft tegen mij gebouwd, en Hij heeft mij met galle en moeite omringd.
6Beth. Hij heeft mij gezet in duistere plaatsen, als degenen, die over lang dood zijn.
3Zij verblijden den koning met hun boosheid, en de vorsten met hun leugenen.
28Want gij zult zeggen: Waar is het huis van den prins, en waar is de tent van de woningen der goddelozen?
11Gij koningen der aarde, en alle volken, gij vorsten, en alle rechters der aarde!
3Want ik was nijdig op de dwazen, ziende der goddelozen vrede.
18Hij bouwt zijn huis als een motte, en als een hoeder de hutte maakt.
15Hebt gij het pad der eeuw waargenomen, dat de ongerechtige lieden betreden hebben?
16Die rimpelachtig gemaakt zijn, als het de tijd niet was; een vloed is over hun grond uitgestort;
14En mijn hand heeft gevonden het vermogen der volken, als een nest, en ik heb het ganse aardrijk samengeraapt, gelijk men de eieren die verlaten zijn, samenraapt; en er is niemand geweest, die een vleugel verroerde, of den bek opendeed, of piepte.
3Gij, die den bozen dag verre stelt, en den stoel des gewelds nabij brengt.
18Door grote luiheid verzwakt het gebint, en door slapheid der handen wordt het huis doorlekkende.
8En gaat over weg in gezelschap met de werkers der ongerechtigheid, en wandelt met goddeloze lieden.
12Hun edelen (doch zij zijn er niet) zullen zij tot het koninkrijk roepen, maar al hun vorsten zullen niets zijn.
23Die de vorsten te niet maakt; de richters der aarde maakt Hij tot ijdelheid.
3Ik heb gezien een dwaas wortelende; doch terstond vervloekte ik zijn woning.
6Een dwaas wordt gezet in grote hoogheden, maar de rijken zitten in de laagte.
7Ik heb knechten te paard gezien, en vorsten, gaande als knechten op de aarde.
18Immers zet Gij hen op gladde plaatsen; Gij doet hen vallen in verwoestingen.
14Er is nog een ijdelheid, die op aarde geschiedt: dat er zijn rechtvaardigen, dien het wedervaart naar het werk der goddelozen, en er zijn goddelozen, dien het wedervaart naar het werk der rechtvaardigen. Ik zeg, dat dit ook ijdelheid is.
6Ik heb de heidenen uitgeroeid, hun hoeken zijn verwoest, Ik heb hun straten eenzaam gemaakt, dat niemand daardoor gaat; hun steden zijn verstoord, zodat er niemand is, dat er geen inwoner is.
7God zal u ook afbreken in eeuwigheid; Hij zal u wegrapen en u uit de tent uitrukken; ja, Hij zal u uitwortelen uit het land der levenden. Sela.
7De ganse aarde rust, zij is stil; zij maken groot geschal met gejuich.
10Alzo heb ik ook gezien de goddelozen, die begraven waren, en degenen, die kwamen, en uit de plaats des Heiligen gingen, die werden vergeten in die stad, in dewelke zij recht gedaan hadden. Dit is ook ijdelheid.
4Door uw wijsheid en door uw verstand, hebt gij vermogen voor u verkregen; ja, gij hebt goud en zilver verkregen in uw schatten.
8Wie heeft dit beraadslaagd over Tyrus, die kronende stad, welker kooplieden vorsten zijn, welker handelaars de heerlijkste in het land zijn?
18En voorwaar, een berg vallende vergaat, en een rots wordt versteld uit haar plaats;
14Raad en het wezen zijn Mijne; Ik ben het Verstand, Mijne is de Sterkte.
3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.