Psalmen 107:40
Hij stort verachting uit over de prinsen, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is.
Hij stort verachting uit over de prinsen, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
19Hij voert de oversten beroofd weg, en de machtigen keert Hij om.
20Hij beneemt den getrouwen de spraak, en der ouden oordeel neemt Hij weg.
21Hij giet verachting over de prinsen uit, en Hij verslapt den riem der geweldigen.
39Daarna verminderen zij, en komen ten onder, door verdrukking, kwaad en droefenis.
24Hij neemt het hart van de hoofden des volks der aarde weg, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is.
25Zij tasten in de duisternis, waar geen licht is; en Hij doet hen dwalen, als een dronkaard.
41Maar Hij brengt den nooddruftige uit de verdrukking in een hoog vertrek, en maakt de huisgezinnen als kudden.
33Hij stelt de rivieren tot een woestijn, en watertochten tot dorstig land.
34Het vruchtbaar land tot zouten grond, om de boosheid dergenen, die daarin wonen.
35Hij stelt de woestijn tot een waterpoel, en het dorre land tot watertochten.
36En Hij doet de hongerigen aldaar wonen, en zij stichten een stad ter woning;
23Die de vorsten te niet maakt; de richters der aarde maakt Hij tot ijdelheid.
10En hij zal de koningen beschimpen, en de prinsen zullen hem een belaching zijn; hij zal alle vesting belachen; want hij zal stof vergaderen, en hij zal ze innemen.
4Die in de woestijn dwaalden, in een weg der wildernis, die geen stad ter woning vonden;
11Omdat zij wederspannig waren geweest tegen Gods geboden, en den raad des Allerhoogsten onwaardiglijk verworpen hadden.
12Waarom Hij hun het hart door zwarigheid vernederd heeft; zij zijn gestruikeld, en er was geen helper.
11Zie toch, zijn kracht is in zijn lenden, en zijn macht in den navel zijns buiks.
12Als het hem lust, zijn staart is als een ceder; de zenuwen zijner schaamte zijn doorvlochten.
17Hij voert de raadsheren beroofd weg, en de rechters maakt Hij uitzinnig,
6Een dwaas wordt gezet in grote hoogheden, maar de rijken zitten in de laagte.
7Ik heb knechten te paard gezien, en vorsten, gaande als knechten op de aarde.
7Die den geringe uit het stof opricht, en den nooddruftige uit den drek verhoogt;
8Om te doen zitten bij de prinsen, bij de prinsen Zijns volks.
41Gij hebt al zijn muren doorgebroken; Gij hebt zijn vestingen nedergeworpen.
3En hun voortreffelijken zenden hun kleinen naar water; zij komen tot de grachten, zij vinden geen water, zij komen met hun vaten ledig weder; zij zijn beschaamd, ja, worden schaamrood, en bedekken hun hoofd.
14Met de koningen en raadsheren der aarde, die voor zich woeste plaatsen bebouwden;
10De vorsten van Juda zijn geworden, gelijk die de landpalen verrukken; Ik zal Mijn verbolgenheid, als water, over hen uitgieten.
12Hun edelen (doch zij zijn er niet) zullen zij tot het koninkrijk roepen, maar al hun vorsten zullen niets zijn.
6Als zij zich krommen, haar jongen met versplijting voortbrengen, haar smarten uitwerpen?
7Haar jongen worden kloek, worden groot door het koren; zij gaan uit, en keren niet weder tot dezelve.
4Zij doen de nooddruftigen wijken van den weg; te zamen versteken zich de ellendigen des lands.
2De goddeloze vervolgt hittiglijk in hoogmoed de ellendige; laat hen gegrepen worden in de aanslagen, die zij bedacht hebben.
17Die de wereld als een woestijn stelde, en derzelver steden verstoorde, die zijn gevangenen niet liet los gaan naar huis toe?
10Hij duikt neder, hij buigt zich; en de arme hoop valt in zijn sterke poten.
45Samech. Gij hebt ons tot een uitvaagsel en wegwerpsel gesteld, in het midden der volken.
41En Hij gaf hen in de hand der heidenen, en hun haters heersten over hen.
15De goddeloze, heersende over een arm volk, is een brullende leeuw, en een beer, die ginds en weder loopt.
34
8De gebaande wegen zijn verwoest, die door de paden gaat, houdt op; hij vernietigt het verbond, hij veracht de steden, hij acht geen mens.
21En een ieder van hen zal daar doorgaan, hard gedrukt en hongerig; en het zal geschieden, wanneer hem hongert, en hij zeer toornig zal zijn, dan zal hij vloeken op zijn koning en op zijn God, als hij opwaarts zal zien;
11Daleth. Hij heeft mijn wegen afgewend; en Hij heeft mij in stukken gebroken; Hij heeft mij woest gemaakt.
28En heeft bewoond verdelgde steden, en huizen, die men niet bewoonde, die gereed waren tot steen hopen te worden.
6Gijlieden beschaamt den raad des ellendigen, omdat de HEERE zijn Toevlucht is.
12Doet geloften en betaalt ze den HEERE, uw God, gij allen, die rondom Hem zijt! Laat hen Dien, Die te vrezen is, geschenken brengen; [ (Psalms 76:13) Die den geest der vorsten als druiven afsnijdt; Die den koningen der aarde vreselijk is. ]
3Een arm man, die de geringen verdrukt, is een wegvagende regen, zodat er geen brood zij.
3Zijt ons genadig, o HEERE! zijt ons genadig, want wij zijn der verachting veel te zat.
19Hoe dan tot Dien, Die het aangezicht der vorsten niet aanneemt, en den rijke voor den arme niet kent? Want zij zijn allen Zijner handen werk.
16Pe. Des HEEREN aangezicht heeft ze verdeeld. Hij zal ze voortaan niet meer aanzien; zij hebben het aangezicht der priesteren niet geeerd, zij hebben den ouden geen genade bewezen.
16Om hun land te stellen tot een ontzetting, tot eeuwige aanfluitingen; al wie daar voorbijgaat, zal zich ontzetten, en met zijn hoofd schudden.
6Want hij zal zijn als de heide in de wildernis, die het niet gevoelt, wanneer het goede komt; maar blijft in dorre plaatsen in de woestijn, in zout en onbewoond land.