Klaagliederen 3:45

Statenvertaling (States Bible)

Samech. Gij hebt ons tot een uitvaagsel en wegwerpsel gesteld, in het midden der volken.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • 1 Kor 4:13 : 13 Wij worden gelasterd, en wij bidden; wij zijn geworden als uitvaagsels der wereld en aller afschrapsel tot nu toe.
  • Deut 28:13 : 13 En de HEERE zal u tot een hoofd maken, en niet tot een staart, en gij zult alleenlijk boven zijn, en niet onder zijn; wanneer gij horen zult naar de geboden des HEEREN, uws Gods, die ik u heden gebiede te houden en te doen;
  • Deut 28:37 : 37 En gij zult zijn tot een schrik, tot een spreekwoord en tot een spotrede, onder al de volken, waarheen u de HEERE leiden zal.
  • Deut 28:44 : 44 Hij zal u lenen, maar gij zult hem niet lenen; hij zal tot een hoofd zijn, en gij zult tot een staart zijn.
  • Klaagl 2:15 : 15 Samech. Allen, die over weg gaan, klappen met de handen over u, zij fluiten en schudden hun hoofd over de dochter Jeruzalems, zeggende: Is dit die stad, waar men van zeide, dat zij volkomen van schoonheid was, een vreugde der ganse aarde?
  • Klaagl 3:14 : 14 He. Ik ben al mijn volk tot belaching geworden, hun snarenspel den gansen dag.
  • Klaagl 4:14-15 : 14 Nun. Zij zwierven als blinden op de straten, zij waren met bloed besmet, zodat men niet kon zien, of men raakte hun klederen aan. 15 Samech. Zij riepen tot hen: Wijkt, hier is een onreine wijkt, wijkt, roert niet aan! Zekerlijk, zij zijn weggevlogen, ja, weggezworven; zij zeiden onder de heidenen: Zij zullen er niet langer wonen.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Ps 44:9-17
    9 verzen
    81%

    9In God roemen wij den gansen dag, en Uw Naam zullen wij loven in eeuwigheid. Sela.

    10Maar nu hebt Gij ons verstoten en te schande gemaakt, dewijl Gij met onze krijgsheiren niet uittrekt.

    11Gij doet ons achterwaarts keren van den wederpartijder; en onze haters beroven ons voor zich.

    12Gij geeft ons over als schapen ter spijze, en Gij verstrooit ons onder de heidenen.

    13Gij verkoopt Uw volk om geen waardij; en Gij verhoogt hun prijs niet.

    14Gij stelt ons onze naburen tot smaad, tot spot en schimp dengenen, die rondom ons zijn.

    15Gij stelt ons tot een spreekwoord onder de heidenen, tot een hoofdschudding onder de volken.

    16Mijn schande is den gansen dag voor mij, en de schaamte mijns aangezichts bedekt mij;

    17Om de stem des honers en des lasteraars, vanwege den vijand en den wraakgierige.

  • 22Want zoudt Gij ons ganselijk verwerpen? Zoudt Gij zozeer tegen ons verbolgen zijn?

  • 78%

    42Nun. Wij hebben overtreden, en wij zijn wederspannig geweest, daarom hebt Gij niet gespaard.

    43Samech. Gij hebt ons met toorn bedekt, en Gij hebt ons vervolgd; Gij hebt ons gedood, Gij hebt niet verschoond.

    44Samech. Gij hebt U met een wolk bedekt, zodat er geen gebed doorkwam.

  • 1Een gouden kleinood van David tot lering, voor den opperzangmeester, op Schusan Eduth;

  • 3Waarom worden wij geacht als beesten, en zijn onrein in ulieder ogen?

  • 13Wij worden gelasterd, en wij bidden; wij zijn geworden als uitvaagsels der wereld en aller afschrapsel tot nu toe.

  • 46Pe. Al onze vijanden hebben hun mond tegen ons opgesperd.

  • Ps 123:3-4
    2 verzen
    76%

    3Zijt ons genadig, o HEERE! zijt ons genadig, want wij zijn der verachting veel te zat.

    4Onze ziel is veel te zat des spots der weelderigen, der verachting der hovaardigen.

  • 4Wij zijn onzen naburen een smaadheid geworden; een spot en schimp dien, die rondom ons zijn.

  • 19Ons hart is niet achterwaarts gekeerd, noch onze gang geweken van Uw pad.

  • 6Gij spijst hen met tranenbrood, en drenkt hen met tranen uit een drieling.

  • Ps 44:24-25
    2 verzen
    73%

    24Waak op, waarom zoudt Gij slapen, HEERE! Ontwaak, verstoot niet in eeuwigheid.

    25Waarom zoudt Gij Uw aangezicht verbergen, onze ellende en onze onderdrukking vergeten?

  • Ps 89:38-39
    2 verzen
    73%

    38Hij zal eeuwiglijk bevestigd worden, gelijk de maan; en de Getuige in den hemel is getrouw. Sela.

    39Maar Gij hebt hem verstoten en verworpen; Gij zijt verbolgen geworden tegen Uw gezalfde.

  • Jes 64:6-7
    2 verzen
    73%

    6Doch wij allen zijn als een onreine, en al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed; en wij allen vallen af als een blad, en onze misdaden voeren ons henen weg als een wind.

    7En er is niemand, die Uw Naam aanroept, die zich opwekt, dat hij U aangrijpe; want Gij verbergt Uw aangezicht voor ons, en Gij doet ons smelten, door middel van onze ongerechtigheden.

  • 19Hij heeft mij in het slijk geworpen, en ik ben gelijk geworden als stof en as.

  • 15Want zie, Ik heb u klein gemaakt onder de heidenen, veracht onder de mensen.

  • 1Een onderwijzing, voor Asaf. O God! waarom verstoot Gij in eeuwigheid? Waarom zou Uw toorn roken tegen de schapen Uwer weide?

  • 1Gedenk, HEERE, wat ons geschied is, aanschouw het, en zie onzen smaad aan.

  • 44Gij hebt ook de scherpte zijns zwaards omgekeerd, en hebt hem niet staande gehouden in den strijd.

  • 6Tot U hebben zij geroepen, en zijn uitgered; op U hebben zij vertrouwd, en zijn niet beschaamd geworden.

  • 7Bij U, o Heere! is de gerechtigheid, maar bij ons de beschaamdheid der aangezichten, gelijk het is te deze dage; bij de mannen van Juda, en de inwoners van Jeruzalem, en geheel Israel, die nabij en die verre zijn, in al de landen, waar Gij ze henengedreven hebt, zij tegen U overtreden hebben.

  • 10Want ik eet as als brood, en vermeng mijn drank met tranen.

  • 3Van het geluid des rumoers zullen de volken wegvlieden; van Uw verhoging zullen de heidenen verstrooid worden.

  • 3Gij hoort het gebed; tot U zal alle vlees komen.

  • 7Want ik vertrouw niet op mijn boog, en mijn zwaard zal mij niet verlossen.

  • 13Uw woorden zijn tegen Mij te sterk geworden, zegt de HEERE; maar gij zegt: Wat hebben wij tegen U gesproken?

  • 6Doch Hij heeft mij tot een spreekwoord der volken gesteld; zodat ik een trommelslag ben voor ieders aangezicht.

  • 20HEERE! wij kennen onze goddeloosheid, en onzer vaderen ongerechtigheid, want wij hebben tegen U gezondigd.

  • 20Waarom zoudt Gij ons steeds vergeten? Waarom zoudt Gij ons zo langen tijd verlaten?

  • 33Doch Gij zijt rechtvaardig, in alles, wat ons overkomen is; want Gij hebt trouwelijk gehandeld, maar wij hebben goddelooslijk gehandeld.

  • 8Gij stelt onze ongerechtigheden voor U, onze heimelijke zonden in het licht Uws aanschijns.

  • 9Daarom heb Ik ook u verachtelijk en onwaard gemaakt voor het ganse volk, dewijl gij Mijn wegen niet houdt, maar het aangezicht aanneemt in de wet.

  • 15O HEERE, God van Israel! Gij zijt rechtvaardig; want wij zijn overgelaten ter ontkoming, als het is te dezen dage. Zie, wij zijn voor Uw aangezicht in onze schuld; want er is niemand, die voor Uw aangezicht zou kunnen bestaan, om zulks.

  • 17Vau. En Gij hebt mijn ziel verre van den vrede verstoten, ik heb het goede vergeten.

  • 2Want Gij zijt de God mijner sterkte; waarom verstoot Gij mij dan? Waarom ga ik steeds in het zwart, vanwege des vijands onderdrukking?

  • 2Ziet, Ik heb u klein gemaakt onder de heidenen, gij zijt zeer veracht.