Psalmen 80:6
Gij spijst hen met tranenbrood, en drenkt hen met tranen uit een drieling.
Gij spijst hen met tranenbrood, en drenkt hen met tranen uit een drieling.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
13Gij verkoopt Uw volk om geen waardij; en Gij verhoogt hun prijs niet.
14Gij stelt ons onze naburen tot smaad, tot spot en schimp dengenen, die rondom ons zijn.
9In God roemen wij den gansen dag, en Uw Naam zullen wij loven in eeuwigheid. Sela.
10Maar nu hebt Gij ons verstoten en te schande gemaakt, dewijl Gij met onze krijgsheiren niet uittrekt.
11Gij doet ons achterwaarts keren van den wederpartijder; en onze haters beroven ons voor zich.
3Wek Uw macht op voor het aangezicht van Efraim, en Benjamin, en Manasse, en kom tot onze verlossing.
4O God! breng ons weder, en laat Uw aanschijn lichten, zo zullen wij verlost worden.
5O HEERE, God der heirscharen! hoe lang zult Gij roken tegen het gebed Uws volks?
7Gij hebt ons onzen naburen tot een twist gesteld, en onze vijanden spotten onder zich.
4Wij zijn onzen naburen een smaadheid geworden; een spot en schimp dien, die rondom ons zijn.
8Zie, zij storten overvloediglijk uit met hun mond; zwaarden zijn op hun lippen; want wie hoort het?
12En geef onze naburen zevenvoudig weder in hun schoot hun smaad, waarmede zij U, o Heere! gesmaad hebben.
45Samech. Gij hebt ons tot een uitvaagsel en wegwerpsel gesteld, in het midden der volken.
46Pe. Al onze vijanden hebben hun mond tegen ons opgesperd.
1Een gouden kleinood van David tot lering, voor den opperzangmeester, op Schusan Eduth;
16Mijn schande is den gansen dag voor mij, en de schaamte mijns aangezichts bedekt mij;
7Want ik vertrouw niet op mijn boog, en mijn zwaard zal mij niet verlossen.
41Gij hebt al zijn muren doorgebroken; Gij hebt zijn vestingen nedergeworpen.
42Allen, die den weg voorbijgingen, hebben hem beroofd; zijn naburen is hij tot een smaad geweest.
2Toen werd onze mond vervuld met lachen, en onze tong met gejuich; toen zeide men onder de heidenen: De HEERE heeft grote dingen aan dezen gedaan.
4Die in den hemel woont, zal lachen; de HEERE zal hen bespotten.
6Gij hebt lief alle woorden van verslinding, en een tong des bedrogs.
4Gij hebt weggenomen al Uw verbolgenheid; Gij hebt U gewend van de hittigheid Uws toorns.
5Breng ons weder, o God onzes heils! en doe te niet Uw toornigheid over ons.
6Zult Gij eeuwiglijk tegen ons toornen? Zult Gij Uw toorn uitstrekken van geslacht tot geslacht?
27Want is u niet Israel ter belaching geweest? Was hij onder de dieven gevonden, dat gij u zo bewoogt, van den tijd af, dat uw woorden van hem waren?
18Gedenk hieraan; de vijand heeft den HEERE gesmaad, en een dwaas volk heeft Uw Naam gelasterd.
2O God! zwijg niet, houd U niet als doof, en zijt niet stil, o God!
10Hoe lang, o God! zal de wederpartijder smaden? Zal de vijand Uw Naam in eeuwigheid lasteren?
11Zie dan, zij vergelden het ons, komende om ons uit Uw erve, die Gij ons te erven gegeven hebt, te verdrijven.
3O God! Gij hadt ons verstoten, Gij hadt ons gescheurd, Gij zijt toornig geweest; keer weder tot ons.
6Doch Hij heeft mij tot een spreekwoord der volken gesteld; zodat ik een trommelslag ben voor ieders aangezicht.
15Verblijd ons naar de dagen, in dewelke Gij ons gedrukt hebt, naar de jaren, in dewelke wij het kwaad gezien hebben.
3Zijt ons genadig, o HEERE! zijt ons genadig, want wij zijn der verachting veel te zat.
4Onze ziel is veel te zat des spots der weelderigen, der verachting der hovaardigen.
21Totdat Hij uw mond met gelach vervulle, en uw lippen met gejuich.
5Gij Zelf zijt mijn Koning, o God! gebied de verlossingen Jakobs.
11Wie zal mij voeren in een vaste stad? Wie zal mij leiden tot in Edom?
12Zult Gij het niet zijn, o God! Die ons verstoten hadt, en Die niet uittoogt, o God! met onze heirkrachten?
22Want zoudt Gij ons ganselijk verwerpen? Zoudt Gij zozeer tegen ons verbolgen zijn?
43Samech. Gij hebt ons met toorn bedekt, en Gij hebt ons vervolgd; Gij hebt ons gedood, Gij hebt niet verschoond.
19Zo zullen wij van U niet terugkeren; behoud ons in het leven, zo zullen wij Uw Naam aanroepen. [ (Psalms 80:20) O HEERE, God der heirscharen! breng ons weder; laat Uw aanschijn lichten, zo zullen wij verlost worden. ]
4Hoor, o onze God! dat wij zeer veracht zijn, en keer hun versmaadheid weder op hun hoofd, en geef hen over tot een roof in een land der gevangenis.
10Moab is mijn waspot; op Edom zal ik mijn schoen werpen! juich over mij, o gij Palestina!
11Wie zal mij voeren in een vaste stad? Wie zal mij leiden tot in Edom?
8Ik waak, en ben geworden als een eenzame mus op het dak.
14He. Ik ben al mijn volk tot belaching geworden, hun snarenspel den gansen dag.
24Waak op, waarom zoudt Gij slapen, HEERE! Ontwaak, verstoot niet in eeuwigheid.
20Die van U schandelijk spreken, en Uw vijanden ijdellijk verheffen.
13De Heere belacht hem, want Hij ziet, dat zijn dag komt.