Psalmen 80:6

Statenvertaling (States Bible)

Gij spijst hen met tranenbrood, en drenkt hen met tranen uit een drieling.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 79:4 : 4 Wij zijn onzen naburen een smaadheid geworden; een spot en schimp dien, die rondom ons zijn.
  • Jes 36:8 : 8 Nu dan, wed toch met mijn heer, den koning van Assyrie; en ik zal u twee duizend paarden geven, zo gij voor u de ruiters daarop zult kunnen geven.
  • Jes 36:12-20 : 12 Maar Rabsake zeide: Heeft mijn heer mij tot uw heer en tot u gezonden, om deze woorden te spreken? Is het niet tot de mannen, die op den muur zitten, dat zij met ulieden hun drek eten, en hun water drinken zullen? 13 Alzo stond Rabsake, en riep met luider stem in het Joods, en zeide: Hoort de woorden des groten konings, des konings van Assyrie! 14 Alzo zegt de koning: Dat Hizkia u niet bedriege, want hij zal u niet kunnen redden. 15 Daartoe, dat Hizkia u niet doe vertrouwen op den HEERE, zeggende: De HEERE zal ons zekerlijk redden; deze stad zal niet in de hand des konings van Assyrie gegeven worden. 16 Hoort naar Hizkia niet; want alzo zegt de koning van Assyrie: Handelt met mij door een geschenk, en komt tot mij uit, en eet, een ieder van zijn wijnstok, en een ieder van zijn vijgeboom, en drinkt een ieder het water zijns bornputs; 17 Totdat ik kom en u haal in een land, als ulieder land is, een land van koren en van most, een land van brood en van wijngaarden. 18 Dat Hizkia ulieden niet verleide, zeggende: De HEERE zal ons redden; hebben de goden der volken, een ieder zijn land, gered uit de hand des konings van Assyrie? 19 Waar zijn de goden van Hamath en Arpad? Waar zijn de goden van Sefarvaim? Hebben zij ook Samaria van mijn hand gered? 20 Welke zijn ze onder al de goden dezer landen, die hun land uit mijn hand gered hebben, dat de HEERE Jeruzalem uit mijn hand zou redden?
  • Jes 37:23 : 23 Wien hebt gij gehoond, en gij gelasterd, en tegen Wien hebt gij de stem verheven, en uw ogen omhoog opgeheven? Tegen den Heilige Israels!
  • Jer 15:10 : 10 Wee mij, mijn moeder, dat gij mij gebaard hebt, een man van twist, en een man van krakeel den gansen lande! Ik heb hun niet op woeker gegeven, ook hebben zij mij niet op woeker gegeven, nog vloekt mij een ieder van hen.
  • Jer 48:27 : 27 Want is u niet Israel ter belaching geweest? Was hij onder de dieven gevonden, dat gij u zo bewoogt, van den tijd af, dat uw woorden van hem waren?
  • Ezech 36:4 : 4 Daarom, gij bergen Israels! hoort het woord des Heeren HEEREN: Zo zegt de Heere HEERE tot de bergen en tot de heuvelen, tot de stromen en tot de dalen, tot de verwoeste eenzame plaatsen en tot de verlaten steden, die tot een roof en tot een spot geworden zijn voor het overblijfsel der heidenen, die rondom zijn;
  • Opb 11:10 : 10 En die op de aarde wonen, die zullen verblijd zijn over hen, en zullen vreugde bedrijven, en zullen elkander geschenken zenden; omdat deze twee profeten degenen, die op de aarde wonen, gepijnigd hadden.
  • Richt 16:25 : 25 En het geschiedde, als hun hart vrolijk was, dat zij zeiden: Roept Simson, dat hij voor ons spele. En zij riepen Simson uit het gevangenhuis; en hij speelde voor hun aangezichten, en zij deden hem staan tussen de pilaren.
  • Ps 44:13-14 : 13 Gij verkoopt Uw volk om geen waardij; en Gij verhoogt hun prijs niet. 14 Gij stelt ons onze naburen tot smaad, tot spot en schimp dengenen, die rondom ons zijn.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Ps 44:13-14
    2 verzen
    85%

    13Gij verkoopt Uw volk om geen waardij; en Gij verhoogt hun prijs niet.

    14Gij stelt ons onze naburen tot smaad, tot spot en schimp dengenen, die rondom ons zijn.

  • Ps 44:9-11
    3 verzen
    79%

    9In God roemen wij den gansen dag, en Uw Naam zullen wij loven in eeuwigheid. Sela.

    10Maar nu hebt Gij ons verstoten en te schande gemaakt, dewijl Gij met onze krijgsheiren niet uittrekt.

    11Gij doet ons achterwaarts keren van den wederpartijder; en onze haters beroven ons voor zich.

  • Ps 80:3-5
    3 verzen
    78%

    3Wek Uw macht op voor het aangezicht van Efraim, en Benjamin, en Manasse, en kom tot onze verlossing.

    4O God! breng ons weder, en laat Uw aanschijn lichten, zo zullen wij verlost worden.

    5O HEERE, God der heirscharen! hoe lang zult Gij roken tegen het gebed Uws volks?

  • 7Gij hebt ons onzen naburen tot een twist gesteld, en onze vijanden spotten onder zich.

  • 4Wij zijn onzen naburen een smaadheid geworden; een spot en schimp dien, die rondom ons zijn.

  • 8Zie, zij storten overvloediglijk uit met hun mond; zwaarden zijn op hun lippen; want wie hoort het?

  • 12En geef onze naburen zevenvoudig weder in hun schoot hun smaad, waarmede zij U, o Heere! gesmaad hebben.

  • 74%

    45Samech. Gij hebt ons tot een uitvaagsel en wegwerpsel gesteld, in het midden der volken.

    46Pe. Al onze vijanden hebben hun mond tegen ons opgesperd.

  • 1Een gouden kleinood van David tot lering, voor den opperzangmeester, op Schusan Eduth;

  • 16Mijn schande is den gansen dag voor mij, en de schaamte mijns aangezichts bedekt mij;

  • 7Want ik vertrouw niet op mijn boog, en mijn zwaard zal mij niet verlossen.

  • Ps 89:41-42
    2 verzen
    72%

    41Gij hebt al zijn muren doorgebroken; Gij hebt zijn vestingen nedergeworpen.

    42Allen, die den weg voorbijgingen, hebben hem beroofd; zijn naburen is hij tot een smaad geweest.

  • 2Toen werd onze mond vervuld met lachen, en onze tong met gejuich; toen zeide men onder de heidenen: De HEERE heeft grote dingen aan dezen gedaan.

  • 72%

    4Die in den hemel woont, zal lachen; de HEERE zal hen bespotten.

  • 6Gij hebt lief alle woorden van verslinding, en een tong des bedrogs.

  • Ps 85:4-6
    3 verzen
    71%

    4Gij hebt weggenomen al Uw verbolgenheid; Gij hebt U gewend van de hittigheid Uws toorns.

    5Breng ons weder, o God onzes heils! en doe te niet Uw toornigheid over ons.

    6Zult Gij eeuwiglijk tegen ons toornen? Zult Gij Uw toorn uitstrekken van geslacht tot geslacht?

  • 27Want is u niet Israel ter belaching geweest? Was hij onder de dieven gevonden, dat gij u zo bewoogt, van den tijd af, dat uw woorden van hem waren?

  • 18Gedenk hieraan; de vijand heeft den HEERE gesmaad, en een dwaas volk heeft Uw Naam gelasterd.

  • 2O God! zwijg niet, houd U niet als doof, en zijt niet stil, o God!

  • 10Hoe lang, o God! zal de wederpartijder smaden? Zal de vijand Uw Naam in eeuwigheid lasteren?

  • 11Zie dan, zij vergelden het ons, komende om ons uit Uw erve, die Gij ons te erven gegeven hebt, te verdrijven.

  • 3O God! Gij hadt ons verstoten, Gij hadt ons gescheurd, Gij zijt toornig geweest; keer weder tot ons.

  • 6Doch Hij heeft mij tot een spreekwoord der volken gesteld; zodat ik een trommelslag ben voor ieders aangezicht.

  • 15Verblijd ons naar de dagen, in dewelke Gij ons gedrukt hebt, naar de jaren, in dewelke wij het kwaad gezien hebben.

  • Ps 123:3-4
    2 verzen
    70%

    3Zijt ons genadig, o HEERE! zijt ons genadig, want wij zijn der verachting veel te zat.

    4Onze ziel is veel te zat des spots der weelderigen, der verachting der hovaardigen.

  • 21Totdat Hij uw mond met gelach vervulle, en uw lippen met gejuich.

  • 5Gij Zelf zijt mijn Koning, o God! gebied de verlossingen Jakobs.

  • Ps 108:11-12
    2 verzen
    69%

    11Wie zal mij voeren in een vaste stad? Wie zal mij leiden tot in Edom?

    12Zult Gij het niet zijn, o God! Die ons verstoten hadt, en Die niet uittoogt, o God! met onze heirkrachten?

  • 22Want zoudt Gij ons ganselijk verwerpen? Zoudt Gij zozeer tegen ons verbolgen zijn?

  • 43Samech. Gij hebt ons met toorn bedekt, en Gij hebt ons vervolgd; Gij hebt ons gedood, Gij hebt niet verschoond.

  • 19Zo zullen wij van U niet terugkeren; behoud ons in het leven, zo zullen wij Uw Naam aanroepen. [ (Psalms 80:20) O HEERE, God der heirscharen! breng ons weder; laat Uw aanschijn lichten, zo zullen wij verlost worden. ]

  • 4Hoor, o onze God! dat wij zeer veracht zijn, en keer hun versmaadheid weder op hun hoofd, en geef hen over tot een roof in een land der gevangenis.

  • Ps 60:10-11
    2 verzen
    69%

    10Moab is mijn waspot; op Edom zal ik mijn schoen werpen! juich over mij, o gij Palestina!

    11Wie zal mij voeren in een vaste stad? Wie zal mij leiden tot in Edom?

  • 8Ik waak, en ben geworden als een eenzame mus op het dak.

  • 14He. Ik ben al mijn volk tot belaching geworden, hun snarenspel den gansen dag.

  • 24Waak op, waarom zoudt Gij slapen, HEERE! Ontwaak, verstoot niet in eeuwigheid.

  • 20Die van U schandelijk spreken, en Uw vijanden ijdellijk verheffen.

  • 13De Heere belacht hem, want Hij ziet, dat zijn dag komt.