Psalmen 60:3

Statenvertaling (States Bible)

O God! Gij hadt ons verstoten, Gij hadt ons gescheurd, Gij zijt toornig geweest; keer weder tot ons.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Jes 51:17 : 17 Waak op, waak op, sta op, Jeruzalem! gij, die gedronken hebt van de hand des HEEREN den beker Zijner grimmigheid; den droesem van den beker der zwijmeling hebt gij gedronken, ja, uitgezogen.
  • Jes 51:22 : 22 Alzo zegt uw Heere, de HEERE en uw God, Die Zijns volks zaak twisten zal: Zie, Ik neem den beker der zwijmeling van uw hand, den droesem van den beker Mijner grimmigheid; gij zult dien voortaan niet meer drinken.
  • Ps 71:20 : 20 Gij, Die mij veel benauwdheden en kwaden hebt doen zien, zult mij weder levend maken, en zult mij weder ophalen uit de afgronden der aarde.
  • Ps 75:8 : 8 Maar God is Rechter; Hij vernedert dezen, en verhoogt genen.
  • Jer 25:15 : 15 Want alzo heeft de HEERE, de God Israels, tot mij gezegd: Neem dezen beker des wijns der grimmigheid van Mijn hand, en geef dien te drinken al den volken, tot welke Ik u zende;
  • Klaagl 4:21 : 21 Schin. Wees vrolijk, en verblijd u, gij dochter Edoms, die in het land Uz woont! doch de beker zal ook tot u komen, gij zult dronken worden, en ontbloot worden.
  • Ezech 23:31-32 : 31 In den weg uwer zuster hebt gij gewandeld, daarom zal Ik haar beker in uw hand geven. 32 Alzo zegt de Heere HEERE: Gij zult den beker uwer zuster drinken, die diep en wijd is; gij zult tot belaching en spot worden; de beker houdt veel in.
  • Dan 9:12 : 12 En Hij heeft Zijn woorden bevestigd, die Hij gesproken heeft tegen ons, en tegen onze richters, die ons richtten, brengende over ons een groot kwaad, hetwelk niet geschied is onder den gansen hemel, gelijk aan Jeruzalem geschied is.
  • Hab 2:16 : 16 Gij zult ook verzadigd worden met schande, voor eer; drinkt gij ook, en ontbloot de voorhuid; de beker der rechterhand des HEEREN zal zich tot u wenden, en er zal een schandelijk uitbraaksel over uw heerlijkheid zijn.
  • Opb 16:19 : 19 En de grote stad is in drie delen gescheurd, en de steden der heidenen zijn gevallen; en het grote Babylon is gedacht geworden voor God, om haar te geven den drinkbeker van den wijn des toorns Zijner gramschap.
  • Opb 18:16 : 16 En zeggende: Wee, wee, de grote stad, die bekleed was met fijn lijnwaad, en purper, en scharlaken, en versierd met goud, en met kostelijk gesteente, en met paarlen; want in een ure is zo grote rijkdom verwoest.
  • Neh 9:32 : 32 Nu dan, o onze God, Gij grote, Gij machtige, en Gij vreselijke God, Die het verbond en de weldadigheid houdt; laat voor Uw aangezicht niet gering zijn al de moeite, die ons getroffen heeft, onze koningen, onze vorsten, en onze priesteren; en onze profeten, en onze vaderen, en Uw ganse volk, van de dagen der koningen van Assur af tot op dezen dag.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Ps 60:1-2
    2 verzen
    76%

    1Een gouden kleinood van David tot lering, voor den opperzangmeester, op Schusan Eduth;

    2Als hij gevochten had met de Syriers van Mesopotamie, en met de Syriers van Zoba; en Joab wederkwam, en de Edomieten sloeg in het Zoutdal, twaalf duizend.

  • 9Zij vertoeven, daarom verwondert u; zij zijn vrolijk, derhalve roept gijlieden; zij zijn dronken, maar niet van wijn; zij waggelen, maar niet van sterken drank.

  • Ps 80:5-6
    2 verzen
    73%

    5O HEERE, God der heirscharen! hoe lang zult Gij roken tegen het gebed Uws volks?

    6Gij spijst hen met tranenbrood, en drenkt hen met tranen uit een drieling.

  • 6Geeft sterken drank dengene, die verloren gaat, en wijn dengenen, die bitterlijk bedroefd van ziel zijn;

  • Jes 51:21-22
    2 verzen
    72%

    21Daarom hoort nu dit, gij bedrukten! en gij dronkenen, maar niet van wijn!

    22Alzo zegt uw Heere, de HEERE en uw God, Die Zijns volks zaak twisten zal: Zie, Ik neem den beker der zwijmeling van uw hand, den droesem van den beker Mijner grimmigheid; gij zult dien voortaan niet meer drinken.

  • 15He. Hij heeft mij met bitterheden verzadigd, Hij heeft mij met alsem dronken gemaakt.

  • 4Gij hebt het land geschud, Gij hebt het gespleten; genees zijn breuken, want het wankelt.

  • 11Ook zult gij dronken worden, gij zult u verbergen; ook zult gij een sterkte zoeken vanwege den vijand.

  • 17Waak op, waak op, sta op, Jeruzalem! gij, die gedronken hebt van de hand des HEEREN den beker Zijner grimmigheid; den droesem van den beker der zwijmeling hebt gij gedronken, ja, uitgezogen.

  • 3Toen Gij vreselijke dingen deedt, die wij niet verwachtten; Gij kwaamt neder, van Uw aangezicht vervloten de bergen.

  • 14Gij stelt ons onze naburen tot smaad, tot spot en schimp dengenen, die rondom ons zijn.

  • 6En Ik heb de volken vertreden in Mijn toorn, en Ik heb hen dronken gemaakt in Mijn grimmigheid; en Ik heb hun kracht ter aarde doen nederdalen.

  • 5Waakt op, gij dronkenen! en weent, en huilt, alle gij wijnzuipers! om den nieuwen wijn, dewijl hij van uw mond is afgesneden.

  • 45Samech. Gij hebt ons tot een uitvaagsel en wegwerpsel gesteld, in het midden der volken.

  • 14O God! Uw weg is in het heiligdom; wie is een groot God, gelijk God?

  • Ps 66:10-12
    3 verzen
    70%

    10Want Gij hebt ons beproefd, o God! Gij hebt ons gelouterd, gelijk men het zilver loutert;

    11Gij hadt ons in het net gebracht; Gij hadt een engen band om onze lenden gelegd;

    12Gij hadt den mens op ons hoofd doen rijden; wij waren in het vuur en in het water gekomen; maar Gij hebt ons uitgevoerd in een overvloeiende verversing.

  • 8Maar God is Rechter; Hij vernedert dezen, en verhoogt genen.

  • 33Van dronkenschap en jammer zult gij vol worden; de beker van uw zuster Samaria is een beker der verwoesting en der eenzaamheid.

  • 16Gij hebt Uw volk door Uw arm verlost; de kinderen van Jakob en van Jozef. Sela.

  • 19Ons hart is niet achterwaarts gekeerd, noch onze gang geweken van Uw pad.

  • 9Zij zullen geen wijn drinken met gezang; de sterke drank zal bitter zijn dengenen, die hem drinken.

  • 6Brood hebt gij niet gegeten, en wijn en sterken drank hebt gij niet gedronken; opdat gij wistet, dat Ik de HEERE, uw God, ben.

  • 65Toen ontwaakte de Heere, als een slapende, als een held, die juicht van den wijn.

  • 10De bergen zagen U, en leden smart; de waterstroom ging door, de afgrond gaf zijn stem, hij hief zijn zijden op in de hoogte.

  • 27Zij dansen en waggelen als een dronken man, en al hun wijsheid wordt verslonden.

  • 17HEERE! waarom doet Gij ons van Uw wegen dwalen, waarom verstokt Gij ons hart, dat wij U niet vrezen? Keer weder om Uwer knechten wil, de stammen Uws erfdeels.

  • 12Met gramschap tradt Gij door het land, met toorn dorstet Gij de heidenen.

  • 15Wee dien, die zijn naaste te drinken geeft, gij, die uw wijnfles daarbij voegt, en ook dronken maakt, opdat gij hun naaktheden aanschouwt.

  • 25Zij tasten in de duisternis, waar geen licht is; en Hij doet hen dwalen, als een dronkaard.

  • 12Ontzet u hierover, gij hemelen, en zijt verschrikt, wordt zeer woest, spreekt de HEERE.

  • 14Waarom blijven wij zitten? Verzamelt u, en laat ons ingaan in de vaste steden, en aldaar stilzwijgen; immers heeft ons de HEERE, onze God, doen stilzwijgen, en ons met gallewater gedrenkt, omdat wij tegen den HEERE gezondigd hebben.

  • 5Maar nu komt het aan u, en gij zijt verdrietig; het raakt tot u, en gij wordt beroerd.

  • 43Samech. Gij hebt ons met toorn bedekt, en Gij hebt ons vervolgd; Gij hebt ons gedood, Gij hebt niet verschoond.

  • 10Daarom keert zich Zijn volk hiertoe, als hun wateren eens vollen bekers worden uitgedrukt,

  • 28De HEERE zal u slaan met onzinnigheid, en met blindheid, en met verbaasdheid des harten;

  • 34En gij zult onzinnig zijn, vanwege het gezicht uwer ogen, dat gij zien zult.

  • 68%

    7Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien? Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o HEERE!

  • 8O God der heirscharen! breng ons weder, en laat Uw aangezicht lichten; zo zullen wij verlost worden.

  • 15Gij hebt een fontein en beek gekliefd; Gij hebt sterke rivieren uitgedroogd.

  • 18Immers zet Gij hen op gladde plaatsen; Gij doet hen vallen in verwoestingen.

  • 16Die u zien zullen, zullen u aanschouwen, zij zullen op u letten, en zeggen: Is dat die man, die de aarde beroerde, die de koninkrijken deed beven?

  • 6Caph. Hij heeft de kracht Zijner werken Zijn volke bekend gemaakt; Lamed. hun gevende de erve der heidenen.

  • 1De wijn is een spotter, de sterke drank is woelachtig; al wie daarin dwaalt, zal niet wijs zijn.

  • 7De most treurt, de wijnstok kweelt, allen die blijhartig waren, zuchten.

  • 16Want gelijk gijlieden gedronken hebt op den berg Mijner heiligheid, zo zullen al de heidenen geduriglijk drinken; ja, zij zullen drinken en inzwelgen, en zullen zijn alsof zij er niet geweest waren.