Psalmen 59:8

Statenvertaling (States Bible)

Zie, zij storten overvloediglijk uit met hun mond; zwaarden zijn op hun lippen; want wie hoort het?

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 2:4 : 4 Die in den hemel woont, zal lachen; de HEERE zal hen bespotten.
  • Ps 37:13 : 13 De Heere belacht hem, want Hij ziet, dat zijn dag komt.
  • Spr 1:26 : 26 Zo zal Ik ook in ulieder verderf lachen; Ik zal spotten, wanneer uw vreze komt.
  • Matt 18:17 : 17 En indien hij denzelven geen gehoor geeft; zo zeg het der gemeente; en indien hij ook der gemeente geen gehoor geeft, zo zij hij u als de heiden en de tollenaar.
  • Ps 59:5 : 5 Zij lopen en bereiden zich zonder mijn misdaad; waak op mij tegemoet, en zie.
  • 1 Sam 19:15-16 : 15 Toen zond Saul boden, om David te bezien, zeggende: Breng hem op het bed tot mij op, dat men hem dode. 16 Als de boden kwamen, zo ziet, er was een beeld in het bed, en er was een geitenvel aan zijn hoofdpeluw.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Ps 2:4-5
    2 verzen
    84%

    4Die in den hemel woont, zal lachen; de HEERE zal hen bespotten.

    5Dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn, en in Zijn grimmigheid zal Hij hen verschrikken.

  • Ps 37:12-13
    2 verzen
    80%

    12Zain. De goddeloze bedenkt listige aanslagen tegen den rechtvaardige, en hij knerst over hem met zijn tanden.

    13De Heere belacht hem, want Hij ziet, dat zijn dag komt.

  • 6Gij hebt lief alle woorden van verslinding, en een tong des bedrogs.

  • 26Zo zal Ik ook in ulieder verderf lachen; Ik zal spotten, wanneer uw vreze komt.

  • 10En hij zal de koningen beschimpen, en de prinsen zullen hem een belaching zijn; hij zal alle vesting belachen; want hij zal stof vergaderen, en hij zal ze innemen.

  • 6Gij spijst hen met tranenbrood, en drenkt hen met tranen uit een drieling.

  • Jer 48:26-27
    2 verzen
    75%

    26Maak hem dronken, omdat hij zich groot gemaakt heeft tegen den HEERE; zo zal Moab met de handen klappen in zijn uitspuwsel, en hij zelf zal ook ter belaching zijn.

    27Want is u niet Israel ter belaching geweest? Was hij onder de dieven gevonden, dat gij u zo bewoogt, van den tijd af, dat uw woorden van hem waren?

  • 7Tegen den avond keren zij weder, zij tieren als een hond, en zij gaan rondom de stad.

  • 7Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk.

  • 21Totdat Hij uw mond met gelach vervulle, en uw lippen met gejuich.

  • 19De rechtvaardigen zagen het, en waren blijde, en de onschuldige bespotte hen;

  • 42Allen, die den weg voorbijgingen, hebben hem beroofd; zijn naburen is hij tot een smaad geweest.

  • 72%

    60Resch. Gij hebt al hun wraak gezien, al hun gedachten tegen mij.

    61Schin. HEERE! Gij hebt hun smaden gehoord, en al hun gedachten tegen mij;

  • 22Dit is het woord, dat de HEERE over hem gesproken heeft: De jonkvrouw, de dochter van Sion, veracht u, zij bespot u, de dochter van Jeruzalem schudt het hoofd achter u.

  • 18Gedenk hieraan; de vijand heeft den HEERE gesmaad, en een dwaas volk heeft Uw Naam gelasterd.

  • 9Maar Gij, HEERE! zult hen belachen; Gij zult alle heidenen bespotten.

  • Ps 44:13-14
    2 verzen
    72%

    13Gij verkoopt Uw volk om geen waardij; en Gij verhoogt hun prijs niet.

    14Gij stelt ons onze naburen tot smaad, tot spot en schimp dengenen, die rondom ons zijn.

  • 10Alle heidenen hadden mij omringd; het is in den Naam des HEEREN, dat ik ze verhouwen heb.

  • 22Tegen de verwoesting en tegen den honger zult gij lachen, en voor het gedierte der aarde zult gij niet vrezen.

  • 51Gedenk, HEERE! aan de smaad Uwer knechten, dien ik in mijn boezem draag, van alle grote volken.

  • 21Dit is het woord, dat de HEERE over hem gesproken heeft: De jonkvrouw, de dochter van Sion, veracht u, zij bespot u, de dochter van Jeruzalem schudt het hoofd achter u.

  • 15Want zie, Ik heb u klein gemaakt onder de heidenen, veracht onder de mensen.

  • 16De heidenen zullen het zien, en beschaamd zijn, vanwege al hun macht; zij zullen de hand op den mond leggen; hun oren zullen doof worden.

  • 70%

    7Ik zal niet vrezen voor tienduizenden des volks, die zich rondom tegen mij zetten.

  • 22Nu dan, drijft den spot niet, opdat uw banden niet vaster gemaakt worden; want ik heb van den Heere HEERE der heirscharen gehoord een verdelging, ja, een, die vast besloten is over het ganse land.

  • 17Ain. De HEERE heeft gedaan, wat Hij gedacht had, Hij heeft Zijn woord vervuld, dat Hij bevolen had van oude dagen; Hij heeft afgebroken en niet gespaard; en Hij heeft den vijand over u verblijd, Hij heeft den hoorn uwer tegenpartijders verhoogd.

  • 7HEERE! Gij hebt mij overreed, en ik ben overreed geworden; Gij zijt mij te sterk geweest, en hebt overmocht; ik ben den gansen dag tot een belachen, een ieder van hen bespot mij.

  • 11Verklaar hen schuldig, o God; laat hen vervallen van hun raadslagen; drijf hen henen om de veelheid hunner overtredingen, want zij zijn wederspannig tegen U.

  • 5Die nabij en verre van u zijn, zullen u bespotten, gij onreine van naam en vol van onrust!

  • 19Want de nooddruftige zal niet voor altoos vergeten worden, noch de verwachting der ellendigen in eeuwigheid verloren zijn.

  • 10Dat zullen zij hebben in plaats van hun hoogmoed; want zij hebben beschimpt, en hebben zich groot gemaakt tegen het volk van den HEERE der heirscharen.

  • 12Dood hen niet, opdat mijn volk het niet vergete; doe hen omzwerven door Uw macht, en werp hen neder, o Heere, ons Schild!

  • 2Toen werd onze mond vervuld met lachen, en onze tong met gejuich; toen zeide men onder de heidenen: De HEERE heeft grote dingen aan dezen gedaan.

  • 5Hebben dan de werkers der ongerechtigheid geen kennis, die Mijn volk opeten, alsof zij brood aten? Zij roepen God niet aan.

  • 43Toen vergruisde ik hen als stof voor den wind; ik ruimde hen weg als slijk der straten.

  • 3Zouden uw leugenen de lieden doen zwijgen, en zoudt gij spotten, en niemand u beschamen?

  • 69%

    5Want Gij hebt mijn recht en mijn rechtszaak afgedaan; Gij hebt gezeten op den troon, o Rechter, der gerechtigheid.

  • 7Om wraak te doen over de heidenen, en bestraffingen over de volken;

  • 69%

    2O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde! Gij, die Uw majesteit gesteld hebt boven de hemelen.

  • 5Zij lopen en bereiden zich zonder mijn misdaad; waak op mij tegemoet, en zie.

  • 19O HEERE! Gij zijt mijn Sterkte, en mijn Sterkheid, en mijn Toevlucht ten dage der benauwdheid; tot U zullen de heidenen komen van de einden der aarde, en zeggen: Immers hebben onze vaders leugen erfelijk bezeten, en ijdelheid, waarin toch niets was, dat nut deed.

  • 8Dat de goddelozen groeien als het kruid, en al de werkers der ongerechtigheid bloeien, opdat zij tot in der eeuwigheid verdelgd worden.

  • 24Laat hun ogen duister worden, dat zij niet zien; en doe hun lenden gedurig waggelen.

  • 14He. Ik ben al mijn volk tot belaching geworden, hun snarenspel den gansen dag.

  • 8Maar God zal hen haastig met een pijl schieten; hun plagen zijn er.