Habakuk 1:10

Statenvertaling (States Bible)

En hij zal de koningen beschimpen, en de prinsen zullen hem een belaching zijn; hij zal alle vesting belachen; want hij zal stof vergaderen, en hij zal ze innemen.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • 2 Kron 36:6 : 6 Nebukadnezar, de koning van Babel, toog tegen hem op, en bond hem met twee koperen ketenen, om hem te voeren naar Babel.
  • 2 Kron 36:10 : 10 En met de wederkomst des jaars zond de koning Nebukadnezar henen, en liet hem naar Babel halen, met de kostelijke vaten van het huis des HEEREN; en hij maakte zijn broeder Zedekia koning over Juda en Jeruzalem.
  • Jes 14:16 : 16 Die u zien zullen, zullen u aanschouwen, zij zullen op u letten, en zeggen: Is dat die man, die de aarde beroerde, die de koninkrijken deed beven?
  • Jer 32:24 : 24 Zie, de wallen! zij zijn gekomen aan de stad, om die in te nemen, en de stad is gegeven in de hand der Chaldeen, die tegen haar strijden; vanwege het zwaard en den honger en de pestilentie; en wat Gij gesproken hebt, is geschied, en zie, Gij ziet het.
  • Jer 33:4 : 4 Want zo zegt de HEERE, de God Israels, van de huizen dezer stad, en van de huizen der koningen van Juda, die door de wallen en door het zwaard zijn afgebroken:
  • Jer 52:4-7 : 4 En het geschiedde in het negende jaar zijner regering, in de tiende maand, op den tienden der maand, dat Nebukadrezar, de koning van Babel, kwam tegen Jeruzalem, hij en zijn ganse heir, en zij legerden zich tegen haar, en zij bouwden tegen haar sterkten rondom. 5 Alzo kwam de stad in belegering, tot in het elfde jaar van den koning Zedekia. 6 In de vierde maand, op den negenden der maand, als de honger in de stad sterk werd, en het volk des lands geen brood had; 7 Toen werd de stad doorgebroken, en al de krijgslieden vloden, en trokken uit des nachts, uit de stad, door den weg der poort tussen de twee muren, die aan des konings hof waren (de Chaldeen nu waren tegen de stad rondom), en zij togen door den weg des vlakken velds.
  • 2 Kon 24:12 : 12 Toen ging Jojachin, de koning van Juda, uit tot den koning van Babel, hij, en zijn moeder, en zijn knechten, en zijn vorsten, en zijn hovelingen; en de koning van Babel nam hem gevangen in het achtste jaar zijner regering.
  • 2 Kon 25:6-7 : 6 Zij dan grepen den koning, en voerden hem opwaarts tot den koning van Babel, naar Ribla; en zij spraken een oordeel tegen hem. 7 En zij slachtten de zonen van Zedekia voor zijn ogen, en men verblindde Zedekia's ogen, en zij bonden hem met twee koperen ketenen, en voerden hem naar Babel.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 11Dan zal hij den geest veranderen, en hij zal doortrekken, en zich schuldig maken, houdende deze zijn kracht voor zijn God.

  • 9Het zal geheellijk tot geweld komen, wat zij inslorpen zullen met hun aangezichten, zullen zij brengen naar het oosten; en het zal de gevangenen verzamelen als zand.

  • Ps 2:4-5
    2 verzen
    76%

    4Die in den hemel woont, zal lachen; de HEERE zal hen bespotten.

    5Dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn, en in Zijn grimmigheid zal Hij hen verschrikken.

  • 10Dat zullen zij hebben in plaats van hun hoogmoed; want zij hebben beschimpt, en hebben zich groot gemaakt tegen het volk van den HEERE der heirscharen.

  • Ps 59:7-8
    2 verzen
    75%

    7Tegen den avond keren zij weder, zij tieren als een hond, en zij gaan rondom de stad.

    8Zie, zij storten overvloediglijk uit met hun mond; zwaarden zijn op hun lippen; want wie hoort het?

  • 40Hij stort verachting uit over de prinsen, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is.

  • 7Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk.

  • 21Hij giet verachting over de prinsen uit, en Hij verslapt den riem der geweldigen.

  • 5Het is de dag onzes konings; de vorsten maken hem krank door verhitting van den wijn; hij strekt zijn hand voort met de spotters.

  • 6Gij hebt lief alle woorden van verslinding, en een tong des bedrogs.

  • 12En Hij zal de hoge vesten uwer muren buigen, vernederen, ja, Hij zal ze ter aarde tot het stof toe doen reiken.

  • Ps 73:8-9
    2 verzen
    73%

    8Zij mergelen de lieden uit, en spreken boselijk van verdrukking; zij spreken uit de hoogte.

    9Zij zetten hun mond tegen den hemel, en hun tong wandelt op de aarde.

  • 19Hij voert de oversten beroofd weg, en de machtigen keert Hij om.

  • 14Met de koningen en raadsheren der aarde, die voor zich woeste plaatsen bebouwden;

  • 10Dewijl zij in elkander gevlochten zijn als doornen, en dronken zijn, gelijk zij plegen dronken te zijn, zo worden zij volkomen verteerd, als een dorre stoppel.

  • Am 5:9-10
    2 verzen
    72%

    9Die Zich verkwikt door verwoesting over een sterke; zodat de verwoesting komt over een vesting.

    10Zij haten in de poort dengene, die bestraft, en hebben een gruwel van dien, die oprechtelijk spreekt.

  • 13De Heere belacht hem, want Hij ziet, dat zijn dag komt.

  • 26Zo zal Ik ook in ulieder verderf lachen; Ik zal spotten, wanneer uw vreze komt.

  • 8Want hij zegt: Zijn niet mijn vorsten al te zamen koningen?

  • 72%

    2De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen den HEERE, en tegen Zijn Gezalfde, zeggende:

  • 19De rechtvaardigen zagen het, en waren blijde, en de onschuldige bespotte hen;

  • 14Daarom, hoort des HEEREN woord, gij bespotters, gij heersers over dit volk, dat te Jeruzalem is!

  • 20Wanneer de tiran een einde zal hebben, en dat het met den bespotter uit zal zijn, en dat allen, die tot ongerechtigheid waken, uitgeroeid zullen zijn;

  • 16Om hun land te stellen tot een ontzetting, tot eeuwige aanfluitingen; al wie daar voorbijgaat, zal zich ontzetten, en met zijn hoofd schudden.

  • 5Hij zal aan zijn voortreffelijken gedenken, doch zij zullen struikelen in hun tochten; zij zullen haasten naar hun muur, als het beschutsel vaardig zal wezen.

  • 10Hij duikt neder, hij buigt zich; en de arme hoop valt in zijn sterke poten.

  • 23Een ieder zal over hem met zijn handen klappen, en over hem fluiten uit zijn plaats.

  • 7Haar jongen worden kloek, worden groot door het koren; zij gaan uit, en keren niet weder tot dezelve.

  • 41Gij hebt al zijn muren doorgebroken; Gij hebt zijn vestingen nedergeworpen.

  • 2De goddeloze vervolgt hittiglijk in hoogmoed de ellendige; laat hen gegrepen worden in de aanslagen, die zij bedacht hebben.

  • 10Zij gapen met hun mond tegen mij; zij slaan met smaadheid op mijn kinnebakken; zij vervullen zich te zamen aan mij.

  • 16Die u zien zullen, zullen u aanschouwen, zij zullen op u letten, en zeggen: Is dat die man, die de aarde beroerde, die de koninkrijken deed beven?

  • 34Zekerlijk, de spotters zal Hij bespotten, maar den zachtmoedigen zal Hij genade geven.

  • 18Daarna zal hij zijn aangezicht tot de eilanden keren, en hij zal er vele innemen; doch een overste zal zijn smaad tegen hem doen ophouden, behalve dat hij zijn smaad op hem zal doen wederkeren.

  • 10Zo gingen de lopers door, van stad tot stad, door het land van Efraim en Manasse, tot Zebulon toe; doch zij belachten hen, en bespotten hen.

  • 5Zijn wegen maken ten allen tijde smarte; Uw oordelen zijn een hoogte, verre van hem; al zijn tegenpartijders, die blaast hij aan.

  • 22Nu dan, drijft den spot niet, opdat uw banden niet vaster gemaakt worden; want ik heb van den Heere HEERE der heirscharen gehoord een verdelging, ja, een, die vast besloten is over het ganse land.

  • 9De ingezetenen van dorre plaatsen zullen voor zijn aangezicht knielen, en zijn vijanden zullen het stof lekken.

  • 21En een ieder van hen zal daar doorgaan, hard gedrukt en hongerig; en het zal geschieden, wanneer hem hongert, en hij zeer toornig zal zijn, dan zal hij vloeken op zijn koning en op zijn God, als hij opwaarts zal zien;

  • 13Omdat hij gezegd heeft: Door de kracht mijner hand heb ik het gedaan, en door mijn wijsheid, want ik ben verstandig; en ik heb de landpalen der volken weggenomen, en heb hun voorraad geroofd, en heb als een geweldige de inwoners doen nederdalen;

  • 12Hun edelen (doch zij zijn er niet) zullen zij tot het koninkrijk roepen, maar al hun vorsten zullen niets zijn.

  • 7Zullen niet onvoorziens opstaan, die u bijten zullen, en ontwaken, die u zullen bewegen, en zult gij hun niet tot plundering worden?

  • 8Spotdrijvende lieden blazen een stad aan brand; maar de wijzen keren den toorn af.

  • 15En hunlieder koning zal gaan in gevangenis, hij en zijn vorsten te zamen, zegt de HEERE.

  • 13Zijn beenderen zijn als vast koper; zijn gebeenten zijn als ijzeren handbomen.

  • 5Die nabij en verre van u zijn, zullen u bespotten, gij onreine van naam en vol van onrust!