Spreuken 29:8
Spotdrijvende lieden blazen een stad aan brand; maar de wijzen keren den toorn af.
Spotdrijvende lieden blazen een stad aan brand; maar de wijzen keren den toorn af.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
9Een wijs man, met een dwaas man in rechten zich begeven hebbende, hetzij dat hij beroerd is of lacht, zo is er toch geen rust.
7Wie den spotter tuchtigt, behaalt zich schande; en die den goddeloze bestraft, zijn schandvlek.
8Bestraf den spotter niet, opdat hij u niet hate; bestraf den wijze, en hij zal u liefhebben.
9De gedachte der dwaasheid is zonde; en een spotter is den mens een gruwel.
6De spotter zoekt wijsheid, en er is gene; maar de wetenschap is voor den verstandige licht.
16De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot is oplopende toornig, en zorgeloos.
17Die haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen; en een man van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden.
22Een toornig man verwekt gekijf; en de grammoedige is veelvoudig in overtreding.
23De hoogmoed des mensen zal hem vernederen; maar de nederige van geest zal de eer vasthouden.
25Sla de spotter, zo zal de slechte kloekzinnig worden; en bestraf den verstandige, hij zal wetenschap begrijpen.
10Drijf den spotter uit, en het gekijf zal weggaan, en het geschil met de schande zal ophouden.
11Als men den spotter straft, wordt de slechte wijs; en als men den wijze onderricht, neemt hij wetenschap aan.
12De rechtvaardige let verstandelijk op des goddelozen huis, als God de goddelozen in het kwaad stort.
11Een zot laat zijn gansen geest uit, maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts.
22De wijze beklimt de stad der geweldigen, en werpt de sterkte huns vertrouwens neder.
12De spotter zal niet liefhebben, die hem bestraft; hij zal niet gaan tot de wijzen.
9De wijzen zijn beschaamd, verschrikt en gevangen; ziet, zij hebben des HEEREN woord verworpen, wat wijsheid zouden zij dan hebben?
28Een Belialsgetuige bespot het recht; en de mond der goddelozen slokt de ongerechtigheid in.
29Gerichten zijn voor de spotters bereid, en slagen voor den rug der zotten.
20Wanneer de tiran een einde zal hebben, en dat het met den bespotter uit zal zijn, en dat allen, die tot ongerechtigheid waken, uitgeroeid zullen zijn;
21Die een mens schuldig maken om een woord, en leggen dien strikken, die hen bestraft in de poort; en die den rechtvaardige verdrijven in het woeste.
19De rechtvaardigen zagen het, en waren blijde, en de onschuldige bespotte hen;
1Een zacht antwoord keert de grimmigheid af; maar een smartend woord doet den toorn oprijzen.
7De rechtvaardige neemt kennis van de rechtzaak der armen; maar de goddeloze begrijpt de wetenschap niet.
16De toorn des dwazen wordt ten zelven dage bekend; maar die kloekzinnig is, bedekt de schande.
8De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij.
9Elke dwaas zal de schuld verbloemen; maar onder de oprechten is goedwilligheid.
24Die een hovaardig pocher is, zijn naam is spotter; hij gaat met hovaardige verbolgenheid te werk.
8Een ieder zal geprezen worden, naardat zijn verstandigheid is; maar die verkeerd van hart is, zal tot verachting wezen.
29De lankmoedige is groot van verstand; maar die haastig is van gemoed, verheft de dwaasheid.
11Door den zegen der oprechten wordt een stad verheven; maar door den mond der goddelozen wordt zij verbroken.
12Die verstandeloos is, veracht zijn naaste; maar een man van groot verstand zwijgt stil.
18Een grimmig man zal gekijf verwekken; maar de lankmoedige zal den twist stillen.
14De grimmigheid des konings is als de boden des doods; maar een wijs man zal die verzoenen.
14De wijzen leggen wetenschap weg; maar den mond des dwazen is de verstoring nabij.
14Daarom, hoort des HEEREN woord, gij bespotters, gij heersers over dit volk, dat te Jeruzalem is!
12De kloekzinnige ziet het kwaad, en verbergt zich; de slechten gaan henen door, en worden gestraft.
3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.
26Een wijs koning verstrooit de goddelozen, en hij brengt het rad over hen.
3In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.
11Een rijk man is wijs in zijn ogen; maar de arme, die verstandig is, doorzoekt hem.
19De wijsheid versterkt den wijze meer dan tien heerschappers, die in een stad zijn.
3Als de goddeloze komt, komt ook de verachting en met schande versmaadheid.
12Indien gij wijs zijt, gij zijt wijs voor uzelven; en zijt gij een spotter, gij zult het alleen dragen.
1Een man, die, dikwijls bestraft zijnde, den nek verhardt, zal schielijk verbroken worden, zodat er geen genezen aan zij.
10En hij zal de koningen beschimpen, en de prinsen zullen hem een belaching zijn; hij zal alle vesting belachen; want hij zal stof vergaderen, en hij zal ze innemen.
3Een kloekzinnig mens ziet het kwaad, en verbergt zich; maar de slechten gaan henen door, en worden gestraft.
35De wijzen zullen eer beerven; maar elkeen der zotten neemt schande op zich.
1Een wijs zoon hoort de tucht des vaders; maar een spotter hoort de bestraffing niet.
22Gij slechten! hoe lang zult gij de slechtigheid beminnen, en de spotters voor zich de spotternij begeren, en de zotten wetenschap haten?