Spreuken 21:11
Als men den spotter straft, wordt de slechte wijs; en als men den wijze onderricht, neemt hij wetenschap aan.
Als men den spotter straft, wordt de slechte wijs; en als men den wijze onderricht, neemt hij wetenschap aan.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
25Sla de spotter, zo zal de slechte kloekzinnig worden; en bestraf den verstandige, hij zal wetenschap begrijpen.
6De spotter zoekt wijsheid, en er is gene; maar de wetenschap is voor den verstandige licht.
7Ga weg van de tegenwoordigheid eens zotten mans; want gij zoudt bij hem geen lippen der wetenschap merken.
8De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij.
9Elke dwaas zal de schuld verbloemen; maar onder de oprechten is goedwilligheid.
22Gij slechten! hoe lang zult gij de slechtigheid beminnen, en de spotters voor zich de spotternij begeren, en de zotten wetenschap haten?
18De slechten erven dwaasheid; maar de kloekzinnigen zullen zich met wetenschap kronen.
7Wie den spotter tuchtigt, behaalt zich schande; en die den goddeloze bestraft, zijn schandvlek.
8Bestraf den spotter niet, opdat hij u niet hate; bestraf den wijze, en hij zal u liefhebben.
9Leer den wijze, zo zal hij nog wijzer worden; onderwijs den rechtvaardige, zo zal hij in leer toenemen.
12De rechtvaardige let verstandelijk op des goddelozen huis, als God de goddelozen in het kwaad stort.
1Een wijs zoon hoort de tucht des vaders; maar een spotter hoort de bestraffing niet.
29Gerichten zijn voor de spotters bereid, en slagen voor den rug der zotten.
10De bestraffing gaat dieper in den verstandige, dan den zot honderd maal te slaan.
3Een kloekzinnig mens ziet het kwaad, en verbergt zich; maar de slechten gaan henen door, en worden gestraft.
12De kloekzinnige ziet het kwaad, en verbergt zich; de slechten gaan henen door, en worden gestraft.
13In de lippen des verstandigen wordt wijsheid gevonden; maar op den rug des verstandelozen de roede.
14De wijzen leggen wetenschap weg; maar den mond des dwazen is de verstoring nabij.
8Spotdrijvende lieden blazen een stad aan brand; maar de wijzen keren den toorn af.
4Om den slechten kloekzinnigheid te geven, den jongeling wetenschap en bedachtzaamheid.
5Die wijs is, zal horen, en zal in lere toenemen; en die verstandig is, zal wijzen raad bekomen.
12De spotter zal niet liefhebben, die hem bestraft; hij zal niet gaan tot de wijzen.
3Als de goddeloze komt, komt ook de verachting en met schande versmaadheid.
5Het is beter te horen het bestraffen des wijzen, dan dat iemand hore het gezang der dwazen.
1Wie de tucht liefheeft, die heeft de wetenschap lief; maar wie de bestraffing haat, is onvernuftig.
21De dwaasheid is den verstandeloze blijdschap; maar een man van verstand zal recht wandelen.
15Het hart der verstandigen bekomt wetenschap, en het oor der wijzen zoekt wetenschap.
19De rechtvaardigen zagen het, en waren blijde, en de onschuldige bespotte hen;
10Drijf den spotter uit, en het gekijf zal weggaan, en het geschil met de schande zal ophouden.
7De vrees des HEEREN is het beginsel der wetenschap; de dwazen verachten wijsheid en tucht.
15De slechte gelooft alle woord; maar de kloekzinnige merkt op zijn gang.
16De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot is oplopende toornig, en zorgeloos.
18Armoede en schande is desgenen, die de tucht verwerpt; maar die de bestraffing waarneemt; zal geeerd worden.
16Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap; maar een zot breidt dwaasheid uit.
31Het oor, dat de bestraffing des levens hoort, zal in het midden der wijzen vernachten.
9De gedachte der dwaasheid is zonde; en een spotter is den mens een gruwel.
22Het verstand dergenen, die het bezitten, is een springader des levens; maar de tucht der dwazen is dwaasheid.
33Wijsheid rust in het hart des verstandigen; maar wat in het binnenste der zotten is, wordt bekend.
8Die wijs van hart is, neemt de geboden aan; maar die dwaas is van lippen, zal omgeworpen worden.
2Als de hovaardigheid komt, zal de schande ook komen; maar met de ootmoedigen is wijsheid.
24Die een hovaardig pocher is, zijn naam is spotter; hij gaat met hovaardige verbolgenheid te werk.
3In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.
32Want de afkering der slechten zal hen doden, en de voorspoed der zotten zal hen verderven.
11Een rijk man is wijs in zijn ogen; maar de arme, die verstandig is, doorzoekt hem.
5Een dwaas zal de tucht zijns vaders versmaden; maar die de bestraffing waarneemt, zal kloekzinniglijk handelen.
2De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.
1Een man, die, dikwijls bestraft zijnde, den nek verhardt, zal schielijk verbroken worden, zodat er geen genezen aan zij.
20Wanneer de tiran een einde zal hebben, en dat het met den bespotter uit zal zijn, en dat allen, die tot ongerechtigheid waken, uitgeroeid zullen zijn;
5Gij slechten! verstaat kloekzinnigheid, en gij zotten! verstaat met het hart.
15De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.