Spreuken 22:10
Drijf den spotter uit, en het gekijf zal weggaan, en het geschil met de schande zal ophouden.
Drijf den spotter uit, en het gekijf zal weggaan, en het geschil met de schande zal ophouden.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
20Wanneer de tiran een einde zal hebben, en dat het met den bespotter uit zal zijn, en dat allen, die tot ongerechtigheid waken, uitgeroeid zullen zijn;
21Die een mens schuldig maken om een woord, en leggen dien strikken, die hen bestraft in de poort; en die den rechtvaardige verdrijven in het woeste.
14Het begin des krakeels is gelijk een, die het water opening geeft; daarom verlaat den twist, eer hij zich vermengt.
10Door hovaardigheid maakt men niet dan gekijf; maar bij de beradenen is wijsheid.
7Wie den spotter tuchtigt, behaalt zich schande; en die den goddeloze bestraft, zijn schandvlek.
8Bestraf den spotter niet, opdat hij u niet hate; bestraf den wijze, en hij zal u liefhebben.
25Sla de spotter, zo zal de slechte kloekzinnig worden; en bestraf den verstandige, hij zal wetenschap begrijpen.
8Spotdrijvende lieden blazen een stad aan brand; maar de wijzen keren den toorn af.
9Een wijs man, met een dwaas man in rechten zich begeven hebbende, hetzij dat hij beroerd is of lacht, zo is er toch geen rust.
12De spotter zal niet liefhebben, die hem bestraft; hij zal niet gaan tot de wijzen.
3Het is eer voor een man, van twist af te blijven; maar ieder dwaas zal er zich in mengen.
18Een grimmig man zal gekijf verwekken; maar de lankmoedige zal den twist stillen.
9De gedachte der dwaasheid is zonde; en een spotter is den mens een gruwel.
1Een zacht antwoord keert de grimmigheid af; maar een smartend woord doet den toorn oprijzen.
24Die een hovaardig pocher is, zijn naam is spotter; hij gaat met hovaardige verbolgenheid te werk.
3Als de goddeloze komt, komt ook de verachting en met schande versmaadheid.
31De mond des rechtvaardigen brengt overvloediglijk wijsheid voort; maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden.
1Een wijs zoon hoort de tucht des vaders; maar een spotter hoort de bestraffing niet.
11Als men den spotter straft, wordt de slechte wijs; en als men den wijze onderricht, neemt hij wetenschap aan.
20Als er geen hout is, gaat het vuur uit; en als er geen oorblazer is, wordt het gekijf gestild.
21De dove kool is om de vurige kool, en het hout om het vuur; alzo is een kijfachtig man, om twist te ontsteken.
6De spotter zoekt wijsheid, en er is gene; maar de wetenschap is voor den verstandige licht.
18Het lot doet de geschillen ophouden, en maakt scheiding tussen machtigen.
6De lippen des zots komen in twist, en zijn mond roept naar slagen.
8Vaar niet haastelijk voort om te twisten, opdat gij misschien in het laatste daarvan niet wat doet, als uw naaste u zou mogen beschaamd hebben.
28Een verkeerd man zal krakeel inwerpen; en een oorblazer scheidt den voornaamsten vriend.
8He. Laat af van toorn, en verlaat de grimmigheid; ontsteek u niet, immers niet, om kwaad te doen.
10Zij haten in de poort dengene, die bestraft, en hebben een gruwel van dien, die oprechtelijk spreekt.
27Laat af, mijn zoon, horende de tucht, af te dwalen van de redenen der wetenschap.
28Een Belialsgetuige bespot het recht; en de mond der goddelozen slokt de ongerechtigheid in.
29Gerichten zijn voor de spotters bereid, en slagen voor den rug der zotten.
1Een droge bete, en rust daarbij, is beter, dan een huis vol van geslachte beesten met twist.
3Zouden uw leugenen de lieden doen zwijgen, en zoudt gij spotten, en niemand u beschamen?
5Die den arme bespot, smaadt deszelfs Maker; die zich verblijdt in het verderf, zal niet onschuldig zijn.
34Zekerlijk, de spotters zal Hij bespotten, maar den zachtmoedigen zal Hij genade geven.
19De rechtvaardigen zagen het, en waren blijde, en de onschuldige bespotte hen;
4Als de geest des heersers tegen u oprijst, verlaat uw plaats niet; want het is medicijn, het stilt grote zonden.
10En hij zal de koningen beschimpen, en de prinsen zullen hem een belaching zijn; hij zal alle vesting belachen; want hij zal stof vergaderen, en hij zal ze innemen.
11Die de reinheid des harten liefheeft, wiens lippen aangenaam zijn, diens vriend is de koning.
12Haat verwekt krakelen; maar de liefde dekt alle overtredingen toe.
22Een toornig man verwekt gekijf; en de grammoedige is veelvoudig in overtreding.
18Die den haat bedekt, is van valse lippen, en die een kwaad gerucht voortbrengt, is een zot.
19In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig.
9Die de overtreding toedekt, zoekt liefde; maar die de zaak weder ophaalt, scheidt den voornaamsten vriend.
10De bestraffing gaat dieper in den verstandige, dan den zot honderd maal te slaan.
19Die het gekijf liefheeft, heeft de overtreding lief; die zijn deur verhoogt, zoekt verbreking.
18HEERE! laat mij niet beschaamd worden, want ik roep U aan; laat de goddelozen beschaamd worden, laat hen zwijgen in het graf.
10Opdat degene, die het hoort, u niet smade; want uw kwaad gerucht zou niet afgekeerd worden.
42De oprechten zien het, en zijn verblijd, maar alle ongerechtigheid stopt haar mond.
12Die verstandeloos is, veracht zijn naaste; maar een man van groot verstand zwijgt stil.