Spreuken 26:20
Als er geen hout is, gaat het vuur uit; en als er geen oorblazer is, wordt het gekijf gestild.
Als er geen hout is, gaat het vuur uit; en als er geen oorblazer is, wordt het gekijf gestild.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
21De dove kool is om de vurige kool, en het hout om het vuur; alzo is een kijfachtig man, om twist te ontsteken.
22De woorden des oorblazers zijn als dergenen, die geslagen zijn, en die dalen in het binnenste des buiks.
23Brandende lippen, en een boos hart, zijn als een potscherf met schuim van zilver overtogen.
17De voorbijgaande, die zich vertoornt in een twist, die hem niet aangaat, is gelijk die een hond bij de oren grijpt.
18Gelijk een, die zich veinst te razen, die vuursprankelen, pijlen en dodelijke dingen werpt;
19Alzo is een man, die zijn naaste bedriegt, en zegt: Jok ik er niet mede?
27Een Belialsman graaft kwaad; en op zijn lippen is als brandend vuur.
28Een verkeerd man zal krakeel inwerpen; en een oorblazer scheidt den voornaamsten vriend.
12Die verstandeloos is, veracht zijn naaste; maar een man van groot verstand zwijgt stil.
13Die als een achterklapper wandelt, openbaart het heimelijke; maar die getrouw is van geest, bedekt de zaak.
14Als er geen wijze raadslagen zijn, vervalt het volk; maar de behoudenis is in de veelheid der raadslieden.
14Het begin des krakeels is gelijk een, die het water opening geeft; daarom verlaat den twist, eer hij zich vermengt.
10Drijf den spotter uit, en het gekijf zal weggaan, en het geschil met de schande zal ophouden.
8De woorden des oorblazers zijn als dergenen, die geslagen zijn, en die dalen in het binnenste des buiks.
19Die als een achterklapper wandelt, openbaart het heimelijke; vermeng u dan niet met hem, die met zijn lippen verlokt.
18Een grimmig man zal gekijf verwekken; maar de lankmoedige zal den twist stillen.
3Het is eer voor een man, van twist af te blijven; maar ieder dwaas zal er zich in mengen.
1Een droge bete, en rust daarbij, is beter, dan een huis vol van geslachte beesten met twist.
19Een vals getuige, die leugenen blaast; en die tussen broederen krakelen inwerpt.
18Die den haat bedekt, is van valse lippen, en die een kwaad gerucht voortbrengt, is een zot.
19In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig.
20Dewijl onze stand niet verdelgd is, maar het vuur hun overblijfsel verteerd heeft.
23De noordenwind verdrijft den regen, en een vergramd aangezicht de verborgen tong.
24Het is beter te wonen op een hoek van het dak, dan met een kijfachtige huisvrouw, en dat in een huis van gezelschap.
18Een man, tegen zijn naaste een valse getuigenis sprekende, is een hamer, en zwaard, en scherpe pijl.
27Zal iemand vuur in zijn boezem nemen, dat zijn klederen niet verbrand worden?
20Wie verdraaid is van hart, zal het goede niet vinden; en die verkeerd is met zijn tong, zal in het kwaad vallen.
30Twist met een mens niet zonder oorzaak, zo hij u geen kwaad gedaan heeft.
22Een toornig man verwekt gekijf; en de grammoedige is veelvoudig in overtreding.
8Vaar niet haastelijk voort om te twisten, opdat gij misschien in het laatste daarvan niet wat doet, als uw naaste u zou mogen beschaamd hebben.
9Twist uw twistzaak met uw naaste; maar openbaar het heimelijke van een ander niet;
3Die met zijn tong niet achterklapt, zijn metgezellen geen kwaad doet, en geen smaadrede opneemt tegen zijn naaste;
5Alzo is ook de tong een klein lid, en roemt nochtans grote dingen. Ziet, een klein vuur, hoe groten hoop houts het aansteekt.
9Een wijs man, met een dwaas man in rechten zich begeven hebbende, hetzij dat hij beroerd is of lacht, zo is er toch geen rust.
10Door hovaardigheid maakt men niet dan gekijf; maar bij de beradenen is wijsheid.
18Vanwege de verbolgenheid des HEEREN der heirscharen, zal het land verduisterd worden; en het volk zal zijn als een voedsel des vuurs: de een zal den ander niet verschonen.
11Indien de slang gebeten heeft, eer der bezwering geschied is, dan is er geen nuttigheid voor den allerwelsprekendsten bezweerder.
23Die zijn mond en zijn tong bewaart, bewaart zijn ziel van benauwdheden.
20Want zij spreken niet van vrede, maar zij bedenken bedriegelijke zaken tegen de stillen in het land.
1Een zacht antwoord keert de grimmigheid af; maar een smartend woord doet den toorn oprijzen.
9Wie stenen wegdraagt, zal smart daardoor lijden; wie hout klieft, zal daardoor in gevaar zijn.
6De lippen des zots komen in twist, en zijn mond roept naar slagen.
16Want waar nijd en twistgierigheid is, aldaar is verwarring en alle boze handel.
21Onder hem zijn scherpe scherven; hij spreidt zich op het puntachtige, als op slijk.
31En de sterke zal wezen tot grof vlas, en zijn werkmeester tot een vonk, en zij zullen beiden te zamen branden, en er zal geen uitblusser wezen.
6Wanneer een vuur uitgaat, en vat de doornen, zodat de koornhoop verteerd wordt, of het staande koorn, of het veld; hij, die de brand heeft aangestoken, zal het volkomen wedergeven.