Spreuken 11:12
Die verstandeloos is, veracht zijn naaste; maar een man van groot verstand zwijgt stil.
Die verstandeloos is, veracht zijn naaste; maar een man van groot verstand zwijgt stil.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
27Wie wetenschap weet, houdt zijn woorden in; en een man van verstand is kostelijk van geest.
28Een dwaas zelfs, die zwijgt, zal wijs geacht worden, en die zijn lippen toesluit, verstandig.
11Een zot laat zijn gansen geest uit, maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts.
13Die als een achterklapper wandelt, openbaart het heimelijke; maar die getrouw is van geest, bedekt de zaak.
8Een ieder zal geprezen worden, naardat zijn verstandigheid is; maar die verkeerd van hart is, zal tot verachting wezen.
9Beter is, die zich gering acht, en een knecht heeft, dan die zichzelven eert, en des broods gebrek heeft.
29De lankmoedige is groot van verstand; maar die haastig is van gemoed, verheft de dwaasheid.
16De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot is oplopende toornig, en zorgeloos.
17Die haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen; en een man van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden.
8Die verstand bekomt, heeft zijn ziel lief; hij neemt de verstandigheid waar, om het goede te vinden.
13In de lippen des verstandigen wordt wijsheid gevonden; maar op den rug des verstandelozen de roede.
14De wijzen leggen wetenschap weg; maar den mond des dwazen is de verstoring nabij.
5Och, of gij gans stilzweegt! Dat zou ulieden voor wijsheid wezen.
23Een kloekzinnig mens bedekt de wetenschap; maar het hart der zotten roept dwaasheid uit.
11Een rijk man is wijs in zijn ogen; maar de arme, die verstandig is, doorzoekt hem.
21Die zijn naaste veracht, zondigt; maar die zich der nederigen ontfermt, die is welgelukzalig.
21De dwaasheid is den verstandeloze blijdschap; maar een man van verstand zal recht wandelen.
8Vaar niet haastelijk voort om te twisten, opdat gij misschien in het laatste daarvan niet wat doet, als uw naaste u zou mogen beschaamd hebben.
9Twist uw twistzaak met uw naaste; maar openbaar het heimelijke van een ander niet;
15De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.
16De toorn des dwazen wordt ten zelven dage bekend; maar die kloekzinnig is, bedekt de schande.
18Die den haat bedekt, is van valse lippen, en die een kwaad gerucht voortbrengt, is een zot.
19In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig.
3Die met zijn tong niet achterklapt, zijn metgezellen geen kwaad doet, en geen smaadrede opneemt tegen zijn naaste;
33Wijsheid rust in het hart des verstandigen; maar wat in het binnenste der zotten is, wordt bekend.
6De spotter zoekt wijsheid, en er is gene; maar de wetenschap is voor den verstandige licht.
7Ga weg van de tegenwoordigheid eens zotten mans; want gij zoudt bij hem geen lippen der wetenschap merken.
8De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij.
32Die de tucht verwerpt, die versmaadt zijn ziel; maar die de bestraffing hoort, krijgt verstand.
8Spotdrijvende lieden blazen een stad aan brand; maar de wijzen keren den toorn af.
9Een wijs man, met een dwaas man in rechten zich begeven hebbende, hetzij dat hij beroerd is of lacht, zo is er toch geen rust.
9Spreek niet voor het oor van een zot, want hij zou het verstand uwer woorden verachten.
18Een verstandeloos mens klapt in de hand, zich borg stellende bij zijn naaste.
11Door den zegen der oprechten wordt een stad verheven; maar door den mond der goddelozen wordt zij verbroken.
16Toen zeide ik: Wijsheid is beter dan kracht, hoewel de wijsheid des armen veracht, en zijn woorden niet waren gehoord geweest.
2Die in zijn oprechtheid wandelt, vreest den HEERE; maar die afwijkt in zijn wegen, veracht Hem.
3In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.
11Het verstand des mensen vertrekt zijn toorn; en zijn sieraad is de overtreding voorbij te gaan.
16Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap; maar een zot breidt dwaasheid uit.
2De zot heeft geen lust aan verstandigheid, maar daarin, dat zijn hart zich ontdekt.
5Een dwaas zal de tucht zijns vaders versmaden; maar die de bestraffing waarneemt, zal kloekzinniglijk handelen.
12De woorden van een wijzen mond zijn aangenaam; maar de lippen van een zot verslinden hemzelve.
3Het is eer voor een man, van twist af te blijven; maar ieder dwaas zal er zich in mengen.
19Alzo is een man, die zijn naaste bedriegt, en zegt: Jok ik er niet mede?
23Het is voor den zot als spel, schandelijkheid te doen; maar voor een man van verstand, wijsheid te plegen.
9De huichelaar verderft zijn naaste door den mond; maar door wetenschap worden de rechtvaardigen bevrijd.
28Een verkeerd man zal krakeel inwerpen; en een oorblazer scheidt den voornaamsten vriend.
22De wijze beklimt de stad der geweldigen, en werpt de sterkte huns vertrouwens neder.
3En ook wanneer de dwaas op den weg wandelt, zijn hart ontbreekt hem, en hij zegt tot een iegelijk, dat hij dwaas is.
11Die zijn land bouwt, zal van brood verzadigd worden; maar die ijdele mensen volgt, is verstandeloos.