Spreuken 21:22
De wijze beklimt de stad der geweldigen, en werpt de sterkte huns vertrouwens neder.
De wijze beklimt de stad der geweldigen, en werpt de sterkte huns vertrouwens neder.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
19De wijsheid versterkt den wijze meer dan tien heerschappers, die in een stad zijn.
12De rechtvaardige let verstandelijk op des goddelozen huis, als God de goddelozen in het kwaad stort.
10Een stad springt op van vreugde over het welvaren der rechtvaardigen; en als de goddelozen vergaan, is er gejuich.
11Door den zegen der oprechten wordt een stad verheven; maar door den mond der goddelozen wordt zij verbroken.
19Hij voert de oversten beroofd weg, en de machtigen keert Hij om.
20Hij beneemt den getrouwen de spraak, en der ouden oordeel neemt Hij weg.
21Hij giet verachting over de prinsen uit, en Hij verslapt den riem der geweldigen.
12En Hij zal de hoge vesten uwer muren buigen, vernederen, ja, Hij zal ze ter aarde tot het stof toe doen reiken.
11Des rijken goed is de stad zijner sterkte, en als een verheven muur in zijn inbeelding.
12Voor de verbreking zal des mensen hart zich verheffen; en de nederigheid gaat voor de eer.
14Er was een kleine stad, en weinig lieden waren daarin; en een groot koning kwam tegen haar, en hij omsingelde ze, en hij bouwde grote vastigheden tegen haar.
15En men vond daar een armen wijzen man in, die de stad verloste door zijn wijsheid; maar geen mens gedacht denzelven armen man.
16Toen zeide ik: Wijsheid is beter dan kracht, hoewel de wijsheid des armen veracht, en zijn woorden niet waren gehoord geweest.
20In des wijzen woning is een gewenste schat, en olie; maar een zot mens verslindt zulks.
21Die rechtvaardigheid en weldadigheid najaagt, zal het leven, rechtvaardigheid en eer vinden.
5Een wijs man is sterk; en een man van wetenschap maakt de kracht vast.
15De slechte gelooft alle woord; maar de kloekzinnige merkt op zijn gang.
16De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot is oplopende toornig, en zorgeloos.
23De hoogmoed des mensen zal hem vernederen; maar de nederige van geest zal de eer vasthouden.
5Want Hij buigt de hooggezetenen neder, de verheven stad; Hij vernedert ze, Hij vernedert ze tot de aarde toe, Hij doet ze tot aan het stof reiken.
8Spotdrijvende lieden blazen een stad aan brand; maar de wijzen keren den toorn af.
11Een rijk man is wijs in zijn ogen; maar de arme, die verstandig is, doorzoekt hem.
20Die op het woord verstandelijk let, zal het goede vinden; en die op den HEERE vertrouwt, is welgelukzalig.
21De dwaasheid is den verstandeloze blijdschap; maar een man van verstand zal recht wandelen.
22De gedachten worden vernietigd, als er geen raad is; maar door veelheid der raadslieden zal elkeen bestaan.
23Die zijn mond en zijn tong bewaart, bewaart zijn ziel van benauwdheden.
26Een wijs koning verstrooit de goddelozen, en hij brengt het rad over hen.
7De treden zijner macht zullen benauwd worden, en zijn raad zal hem nederwerpen.
28Een man, die zijn geest niet wederhouden kan, is een opengebrokene stad zonder muur.
25Hij aanziet alles, wat hoog is, hij is een koning over alle jonge hoogmoedige dieren.
15Des rijken goed is een stad zijner sterkte; de armoede der geringen is hun verstoring.
1Elke wijze vrouw bouwt haar huis; maar die zeer dwaas is, breekt het af met haar handen.
2Als de hovaardigheid komt, zal de schande ook komen; maar met de ootmoedigen is wijsheid.
18Hovaardigheid is voor de verbreking, en hoogheid des geestes voor den val.
29Als men iemand vernederen zal, en gij zeggen zult: Het zij verhoging; dan zal God den nederige van ogen behouden.
9Die Zich verkwikt door verwoesting over een sterke; zodat de verwoesting komt over een vesting.
32De lankmoedige is beter dan de sterke; en die heerst over zijn geest, dan die een stad inneemt.
24De weg des levens is den verstandige naar boven; opdat hij afwijke van de hel, beneden.
12De ogen des HEEREN bewaren de wetenschap; maar de zaken des trouwelozen zal Hij omkeren.
8Een ieder zal geprezen worden, naardat zijn verstandigheid is; maar die verkeerd van hart is, zal tot verachting wezen.
15Dan zal de gemene man nedergebogen worden, en de aanzienlijke man zal vernederd worden, en de ogen der hovaardigen zullen vernederd worden.
3Een kloekzinnig mens ziet het kwaad, en verbergt zich; maar de slechten gaan henen door, en worden gestraft.
11Het huis der goddelozen zal verdelgd worden; maar de tent der oprechten zal bloeien.
21Wee dengenen, die in hun ogen wijs, en bij zichzelven verstandig zijn!
22Maar als een daarover komt, die sterker is dan hij, en hem overwint, die neemt zijn gehele wapenrusting, daar hij op vertrouwde, en deelt zijn roof uit.
1De verstrooier trekt tegen uw aangezicht op, bewaar de vesting; bezichtig den weg; sterk de lenden, versterk de kracht zeer.
18De wijsheid is beter dan de krijgswapenen, maar een enig zondaar verderft veel goeds.
28Wie op zijn rijkdom vertrouwt, die zal vallen; maar de rechtvaardigen zullen groenen als loof.
8Maar was er een man van geweld, voor dien was het land, en een aanzienlijk persoon woonde daarin.
9Die in oprechtheid wandelt, wandelt zeker; maar die zijn wegen verkeert, zal bekend worden.